Foto's en informatie over Tsjechië - Praag (Praha)

Home

Intro Praag Moravië Boheems paradijs Land van Macha
  Kastelen Sumava & Lipno IJzer (Iser) gebergte Reuzen gebergte
a

Praag (Praha)
In het hart van Bohemen ligt Praag, de Gouden Stad. De kroniekschrijver Cosmas vertelt de stichting van de stad Praag (Praha). In dit verhaal speelt de zieneres Libuše (zie onder geschiedenis) de hoofdrol. Kort na haar huwelijk met Přemysl keek zij vanaf het kasteel Vyšehrad over de Moldau uit, wees naar het aan de overzijde gelegen gebied en voorspelde het volgende: "Voor mijn ogen verrijst aan beide zijden van de Moldau een stad met kastelen en torens. Deze draagt een koningskroon en haar roem zal tot de sterren reiken". Vervolgens gaf zij een dienaar de opdracht de oevers van de rivier te volgen. De eerste man die hij tegenkwam moest hij naar zijn dagtaak vragen. Bij terugkeer vertelde hij dat de man bezig was een nieuwe bovendorpel (Prah) voor zijn hut te maken. Daarop sprak Libuše: "Vertel de man en zijn dorpsgenoten dat zij een stad moeten bouwen die de naam Prah zal dragen. Want zoals een ieder moet bukken om onder een bovendorpel door te gaan, zo zullen alle Tsjechische steden eens buigen voor de grootheid van Praha.

Klik op de foto's om de ware grootte te bekijken.


Praagse burcht


Panorama Praag


Panorama Praag


Panorama Praag


Panorama Praag


Sint-Nicolaaskathedraal


Sint-Vituskathedraal


Sint-Vituskathedraal


Karelsbrug


Karelsbrug


Sint-Vituskathedraal


het Oudenstadsplein


Karelsbrug


Museum en Wenceslasplein

Moldau / volkstheater

Oude Stad

Centrum

Gouden Straat

Tuin Praagse burcht

Clementinum


Centrum


Astronomische klok


Heilige Wenceslas


Astronomische klok


Astronomische klok

a
Geschiedenis Hradčany Malá Strana Josefov

Musea

Staroměstské náměstí (Oudestadsplein)

Nové Město (Nieuwe Stad)

Vyšehrad

Praagse burcht

Staré Město (Oude Stad)

Karels Brug

Allerlei

Geschiedenis

Naar Boven

Geschiedenis
Aan het einde van de negende eeuw verlegden de Přemyslide vorst Borivoj (850 - 895)  en zijn vrouw Ludmilla de residentie naar Praag en lieten op de plaats waar de huidige burcht staat tot een fort bouwen. aan de voet van de burchtheuvel ontstond een nederzetting. Hun kleinzoon Wenceslas stichtte in 925 de Sint Vitusrotonde. Rond die tijd ontstond ook Vyšehrad op de andere oever van de Moldau. Vanwege de gunstige ligging aan handelsroutes en bij een doorwaadbare plaats in de rivier was Praag in die tijd een belangrijk handelscentrum. Boleslav II stichtte in 973 een bisbom in de stad. De eerste bisschop was de later heilig verklaarde monnik Adalbert. In de elfde eeuw werd melding gemaakt van een marktplaats op de plek waar zich nu het Staroměstké Náměstí (het Oudenstadsplein) bevindt. aangetrokken door de bedrijvigheid streken steeds meer Joodse en Duitse kolonisten in Praag neer. In 1172 werden de beide oevers van de Moldau door de Judithbrug verbonden. De nederzetting op de rechteroever kreeg in 1235 stadsrechten en werd Staré Město (Oude Stad) genoemd. In 1257 stichtte koning Otakar II de Malá Strana (Kleine Zijde) aan de voet van de burchtheuvel als aparte wijk voor Duitse kooplieden. In dezelfde eeuw werd Josefov een zelfstandige Joodse stad. Een periode van grote bloei brak aan toen Karel IV in 1346 de Boheemse troon besteeg. Al vanaf 1340 heerste hij over dit gebied. Hij koos Praag als Keizerlijke residentie toen hij in 1355 keizer van het Heilige Roomse Rijk werd. Praag werd het politieke en culturele centrum van het rijk. Hij liet de burcht van vergulde loden daken voorzien, zodat deze zouden schitteren en stralen bij zonnig weer, als teken van de grote roem van het koninkrijk. Aan die tijd dankt Praag de bijnaam "Gouden Stad". In 1344 was Praag tot Aartsbisdom geworden. In datzelfde jaar begon men met de bouw van de Sint-Vituskathedraal. Vier jaar later werd de Nové Město (Nieuwe Stad) gesticht. De stad ontstond ten zuidoosten van de Staré Město. Een uitbreiding op de linker oever van de Moldau zou problemen hebben gegeven vanwege de sterk oplopende bodem. Karel probeerde door de bouw van de Nieuwe Stad het probleem van overbevolking in de Staré Město aan te pakken. Inwoners van Praag werden door de belofte dat zij 12 jaar geen belasting hoefden te betalen, gestimuleerd om naar de Nieuwe Stad te verhuizen. Vooral armere mensen en handelslieden maakten van deze regeling gebruik. Het stratenplan was zeer opmerkelijk voor die tijd. Het was zodanig ruim opgezet dat er tot nu toe geen ingrijpende verandering hoefden te worden aangebracht. In datzelfde jaar stichtte Karel de eerste Universiteit in Midden Europa "Opdat de natie de vruchten van de wetenschap op haar eigen tafel gedekt kan vinden". In 1357 begon Peter, een van de meest opmerkelijkste architecten uit die tijd, met de bouw van de Karelsbrug, die de in 1342 ingestorte Judithbrug moest vervangen. Onder Karels bescherming groeide de rijkdom en de invloed van de katholieke kerk. Vooral na Karels dood leidde de corruptie die hierdoor ontstond tot onvrede bij de bevolking. In de Praagse Bethlehemkapel predikte Jan Hus tegen misstanden in de kerk.. Na de dood van Jan Hus op de brandstapel, namen de Husieten de wapens op tegen de Duitse bovenlaag van de bevolking. Zij gooiden in 1419 enkele Katholieke raadsheren uit een raam van het raadhuis van de Nieuwe Stad. De eerste Praagse defenestratie was een feit. In 1490 verlegde koning Vladislav de Koninklijke residentie naar Hongarije. Het gevolg was dat Praag zijn politieke betekenis verloor. Eerder al had Praag op handelsgebied een belangrijkheid verloren. Ook onder de meeste Hadsburgers speelde Praag geen politieke rol van betekenis omdat zij het centrum van de macht in Wenen concentreerden. Onder Rudolf II (1576 - 1611), een hartstochtelijk kunstliefhebber, bloeide Praag korte tijd weer op als centrum van kunst en wetenschap. Rudolf koos de stad als zijn permanente residentie. Hij omringde zichzelf met kunstenaars, geschiedkundigen, wetenschappers en alchemisten. Aan het begin van de Dertigjarige Oorlog werd Praag de residentie van Frederik van de Paltz, de winterkoning. Na de overwinning van de Habsburgers bij de slag op de Witte Berg (1620) werd Wenen opnieuw het hart van het rijk. Praag werd door de regerende vorsten niet vaak meer bezocht. Vrijwel alleen bij de kroning tot koning van Bohemen lieten de keizers zich zien. Onder Josef II (1780 - 1790) werden de afzonderlijke steden samen gevoegd tot een grote stad, die tegenwoordig zo'n 1,2 miljoen inwoners telt. Op 28 oktober 1918 werd de eerste Tsjechoslowaakse Republiek te Praag uitgeroepen. De president, Tomaš Masaryk koos Praag als residentie. Praag werd de hoofdstad van het land. Die functie heeft de stad vervuld, totdat zij op 1 januari 1993 hoofdstad van Tsjechië werd.

Hradcany

Naar Boven

Hradčany
De wandeling door de burchtwijk begint op het langwerpige plein Pohořelec. U bereikt dit plein met tram 22.Door een poortje aan het plein bereikt U het Strahovklooster (Strahovský klastor). Het klooster werd in 1140 door Vladislav I voor de premonstratenzer orde gesticht. In de eeuwen daarna werd het complex diverse malen verbouwd, uitgebreid en na beschadigingen door oorlogsgeweld hersteld. In 1671 werd de schitterende Theologische zaal toegevoegd . Ruim tien jaar later (1682 - 1689) ontstond het huidige barokke uiterlijk onder leiding van de architect Jean Baptiste Mathey. In dit klooster hebben de bibliotheek en het Nationaal Letterkundig Museum (Muzeum Městské Literatury) een onderkomen gevonden (di-zo 9 - 12 en 13 - 17 uur). De ingang van de bibliotheek bevindt zich naast de kerk. De plafondschildering in de Filosofische zaal is van de hand van de beroemde barokkunstenaar F.A. Maulpertsch en stelt "De geschiedenis van de mensheid" voor. In de ernaast gelegen Theologische zaal is de "ware wijsheid" het onderwerp van de door broeder Siard Nosechý vervaardigde plafondschilderijen uit het begin van de achttiende eeuw. Het pronkstuk van de boekencollectie is een Nieuwe Testament uit de negende of tiende eeuw. Opvallend is verder het ontbreken van Werelddeel Australië op een van de tentoongestelde Wereldbollen. Het continent was in die tijd dat de globe gemaakt werd nog niet door de westerlingen ontdekt. Achter het klooster strekt een park zich over de Petřinheuvel uit. Bij het klooster begint de Hongermuur, die de tuinen in tweeën deelt. Karel IV liet deze muur tussen 1360 en 1362 door arme werklozen bouwen. Op deze manier verschafte hij hen brood op de plank.    Vlak bij de muur staat de Sint-Laurentiuskerk. aan deze barokke kerk dankt de heuvel zijn oorspronkelijke naam, Laurentiusberg. De kerk staat naast een miniatuur-eiffeltoren (Rozhledna). Vanuit de stad lijkt hij zeker zo hoog als zijn Parijse soortgenoot. De zestig meter hoge toren werd er in 1891 in het kader van de Praagse Industriële Beurs neergezet. Vlak bij de kerk bevindt zich een kopie van de gotische Vyšehradtoren, waar U tegenwoordig Uzelf kunt tegenkomen in het spiegellabyrint. Iets tenzuiden van de toren bevindt zich een halte van een kabelbaantje naar beneden.

Op het plein Nám. Kinských (voormalig Nám. Sovětských Tantistů) stond een kopie van de tank waarmee generaal Lelioesjenko op 9 mei 1945 Praag bevrijdde van de nazi's. Na de revolutie van 1989 ontstond er onenigheid of de tank moest blijven staan of moest worden verwijderd. Voorstanders van de verkoop wilden alle herinneringen aan de sovjets verwijderen, tegenstanders zagen het gedenkteken als een symbool voor de dappere soldaten die stierven tijdens de bevrijding van het land. In april 1991 was de tank een tijdje rosé. Een kunstenaar had het gevaarte uit protest 's nachts een rosé kleurtje gegeven. Al de volgende dag lag een "te klein" dekzeil over de tank. Binnen een week liet het stadsbestuur de tank in de oorspronkelijke groene kleur oververven. Niet lang daarna werd het voertuig van officiële zijde  rosé geverfd. Uiteindelijk werd de tank alsnog verwijderd. Nu staat het ding in het museum voor de lucht- en ruimtevaart in Kbely.

Vanaf het plein Pohořelec (beginpunt bovengenoemde wandeling) kunt U de Vitus-kathedraal al zien liggen. Als U die richting oploopt komt U op het plein Loretánské Náměstí, waaraan de bedevaartsoord Maria Loreto staat. De kern van het heiligdom wordt gevormd door de Casa Santauit 1626, een symbolische kopie van het huis van de heilige familie te Nazareth. In dit huis zou de aartsengel Gabriël aan Maria de geboorte van haar zoon Jezus Christus hebben verkondigd. Het huis werd volgens de legende door engelen naar Loreto in Italië overgebracht om de ongelovigen te bekeren. De Casa Santa te Praag is een kopie van het Italiaanse origineel. Tussen de Corinthische zuilen die het dak dragen zijn onder andere taferelen uit het leven van Maria te zien. In de kapel bevindt zich een zwarte Madonna met kind uit lindehout. In de tweede helft van de zestiende eeuw werd de Loreto uitgebreid met een aantal kapellen, om de toestroom van pelgrims beter te kunnen verwerken. In de kapel in de zuidwesthoek van het complex bevindt zich boven het zijaltaar het beeld van de Spaanse martelares Sint-Starosta. Deze heimelijke tot het  Christelijk geloof bekeerde vrouw werd door haar vader gedwongen te trouwen met een heidense man. De avond voor het huwelijk vroeg zij God haar voor dit huwelijk te behoeden. Toen zij wakker werd, was haar gezicht met een lange baard bedekt. De bruidegom in spé keerde zich vol afschuw van haar af. Starosta's heidense vader werd woedend en liet haar kruisigen. De meest waardevolle kostbaarheden van het bedevaartsoord bevinden zich in de schatkamer. Het pronkstuk is de diamanten monstrans uit 1699, gemaakt door Weense goudsmeden naar een ontwerp van Johan Bernhard Fischer von Erlach. In deze Praagse Zon schitteren 6.222 diamanten, die afkomstig zijn van het bruidskleed van een adellijke dame (do-zo. 9-12.15 en 13-16.30 uur).

Vlak bij de Loreto kerk woonde een arme weduwe die evenveel kinderen had als er klokken in het carillon hingen. Deze kinderen werden daarom "de Loretta klokken"genoemd. De weduwe droeg een ketting met daaraan voor elk kind een zilveren muntje. In die dagen heerste er een pestepidemie. Ook aan de deur van de weduwe ging de zwarte dood niet voorbij. Een voor een nam de dood de kinderen weg. Voor elk kind offerde de weduwe een muntje op om de doodsklok te laten luiden, zodat de hemelpoorten zich voor het kind zouden openen. Als laatste werd de weduwe zelf het slachtoffer van de zeer besmettelijke ziekte. Toen ze haar einde zag naderen werd ze getroost door de gedachte dat ze haar kinderen naar het paradijs zou volgen. Haar muntjes waren echter op en er was niemand die het luiden van klokken voor haar kon betalen. Opeens begonnen de klokken uit zichzelf te klingelen en speelden een liefelijk lied. Sinds die tijd werd het uur niet langer door eenvoudig gelui aangegeven, maar speelt het carillon die romantische melodie.

Tegenover de Loreto staat het grootste neoklassieke paleis in Praag, het Černín paleis. De architect Francesco Caratti ontwierp het paleis in 1669 voor Humprecht Černín. Deze keizerlijke gezant in Venetië was een van de rijkste edelen van zijn tijd. De kosten van de bouw van het enorme pand hebben hem financieel bijna geruďneerd. Onder de eerste president van de republiek Tsjecho-Slowakije, Tomáš Garyk Masaryk had het paleis een representatieve functie. In de Tweede Wereldoorlog gebruikte de Reichsprotector het gebouw als onderkomen. Na de overname van de macht door de communisten in 1948 werd de zoon van de eerste president, Jan Masaryk dood onder een van de ramen aangetroffen. Volgens de officiële berichten was hij zelf gesprongen, tegenstanders van het regime zeiden dat hij uit het raam gegooid was. In 1991 werd een brief gepubliceerd waaruit zou moeten blijken dat Masaryk zelfmoord had gepleegd. Het betrof een brief waarin hij aan Stalin schreef, dat hij niet kon leven in een land waar geen vrijheid meer bestond. Aan de echtheid van de brief wordt echter door velen getwijfeld. Achter de kapucijnerkerk begint de Nieuwe Wereld (Nový Svět). Deze pittoreske buurt had niet altijd zo'n charmant karakter. Lange tijd was de wijk een achterbuurt van Praag. Nu wordt de wijk voornamelijk door kunstenaars bewoond. In zijn huidige vorm stamt de buurt uit de baroktijd. Vanaf het Loretanské Náměstí leidt een smal straatje naar het Hradčanské Náměstí. U passeert onderweg rechts het oude stadhuis van de wijk Hradčany. Rechts van de deur ziet u een ijzeren staaf, de "Praagse el". Rond 1320 ontstond op de plaats van het Hradčanské Náměstí de stad Hradčany. Het huidige, mondaine aanzien ontstond na een brand in 1541, toen een groot deel van de huizen in de as gelegd werd. Wat overbleef, moest niet lang daarna plaats maken voor de weelderige paleizen van de in die tijd machtige adel. Deze paleizen bepalen ook nu nog het straatbeeld. De bouwwerkzaamheden veroorzaakten een toevloed van Italiaanse bouwmeesters en hum families. Zij vestigden zich in de Malá Strana. Aan de zuidkant van het plein staat een pronkstuk van renaissancebouwkunst, het Schwarzenbergpaleis. Hoewel de naam anders doet vermoeden, werd het paleis niet door de Schwazenbergs gebouwd maar liet Jan Lobkovicz het pand tussen 1545 in 1563 in de Florentijnse stijl optrekken. Volgens de verhalen had de knappe architect Agustino een verhouding met de jonge vrouw van Lobkovicz. De edelman ontdekte de relatie en wilde daarom de architect niet betalen. Vervolgens metselde de Italiaan Augustino uit wraak een gewei aan een van de dakranden, als "cornuto" (hoorntjesdrager), het symbool voor de man wiens vrouw overspel pleegt. Het gewei is vanaf het Hradčanské Náměstí te zien. De muren van het paleis vallen op door prachtige sgraffito decoraties. Het geheel doet denken aan de Florentijnse paleisbouw. Tegenwoordig biedt het paleis onderdak aan het Militair Historisch Museum (di.-zo, 10-18 uur). Het aan de overkant gelegen zestiende-eeuwse Aartsbisschoppelijk paleis dankt zijn naam aan het feit dat de Habsburge keizer Ferdinand I het gebouw aan de eerste aartsbisschop van Praag schonk. Het van oorsprong renaissancepaleis werd in de tweede helft van de zeventiende-eeuw door de Franse architect Jean-Baptiste Mathey in de barokstijl verbouwd. Het huidige rococo-uiterlijk ontstond een eeuw later. In het ernaast gelegen zeventiende-eeuwse Šternberkpaleis is de afdeling Europese kunst van de Nationale Galerie Gehuisvest (di.-zo. 10-18 uur). Een smal steegje leidt naar dit paleis. Tot de permanente collectie behoren doeken van 14e - 18e eeuwse Italiaanse meesters, Nederlandse en Vlaamse schilders uit de 15e en 16e eeuw. Ook Duitse schilders uit de 15e - 17e eeuw zijn vertegenwoordigd. Breugel de Oudere, Dürer, Tintoretto en El Greco bevinden zich in het gezelschap van ondermeer Rubens en Frans Hals. Aan dezelfde kant van het plein werd in 1570 het Martinitzpaleis neergezet. Tijdens de Tweede Praagse Defenestratie (1618) overleefde Martinitz de val uit het raam van de Praagse burcht omdat hij op een mesthoop terechtkwam. Tegenover de burcht staat het Toscanapaleis. Jean Baptiste Mathey ontwierp dit imposante gebouw voor graaf Michael Thun, waarna het tussen 1689 en 1691 onder leiding van Jakub Canevale werd neergezet. In 1718 gaf de toenmalige bezitter Toskánský zijn naam het paleis.

Praagse Burcht

Naar Boven

De Praagse burcht
Vanaf het plein Hradčanské Náměstí betreedt U de eerste binnenhof door een poort in het hek. Deze doorgang wordt dag en nacht bewaakt door twee levende schildwachten en twee verstarde strijdende reuzen uit 1768. Elk uur wordt de wacht gewisseld. Om twaalf uur wordt dit wisselen van de wacht omlijst met muziek. Václav Havel heeft de nieuwe uniformen laten ontwerpen. In de winter dragen de wachten mutsen die gemaakt zijn van bont, dat geschonken is door naar Canada uitgeweken Tsjechen en Slowaken. Maria Theresia gaf de Weense architect Nikolaus Pacassi opdracht tot de bouw van het eerste voorhof. In het classicistische bouwwerk werd de reeds bestaande Matthiaspoort opgenomen. deze toren stond oorspronkelijk los. In 1614 begon de architect van de Dom van Salzburg met de bouw van de toren, die voor verdedigingsdoeleinden bestemd was. De opdrachtgever was koning Matthias. Via de poort bereikt U het tweede binnenhof. Deze binnenplaats dateert uit dezelfde tijd als de eerste. aan de zuidkant staat de achttiende-eeuwse Heilige-Kruiskapel waarin sinds 1961 de liturgische schatten en relikwieën uit de Sint-Vitusdom bewaard worden. Onder de kostbaarheden bevinden zich de helm en de maliënkolder van de Heilige Wenceslas. Deze koning was met de aanleg van de verzameling begonnen. Karel IV heeft de collectie uitgebreid. Hij was een hartstochtelijk verzamelaar van heilige relikwieën. Op het plein staat een kooi, waarin ontrouwe vrouwen werden opgesloten. Aan de noordzijde van de binnenplaats vindt U de voormalige rijschool en de daarbij behorende Spaanse zaal en de Rudolfgalerie. De Spaanse zaal dateert uit 1601 - 1606 en werd halverwege de achttiende-eeuw onder leiding van Kilian Ignaz Dientzenhofer verbouwd. Een volgende renovatie vond plaats tussen 1865 en 1868, ter gelegenheid van de kroning van keizer Franz Josef I tot koning van Bohemen. De Rudolfgalerie werd aan het eind van de zestiende eeuw gebouwd. In de zeventiende-eeuw bewaarde Rudolf II zijn kunstcollectie in dit vertrek. De kunstminnende Rudolf was een geestdriftig verzamelaar van schilderijen, curiositeiten en andere kunstwerken. Zijn collectie was wereldberoemd. Later werden veel doeken verkocht of naar Wenen overgebracht.  In de zalen worden tegenwoordig wisselende tentoonstellingen gehouden. Via het tweede binnenhof kunt U de burcht aan de noordzijde verlaten. U passeert de hertensloot als U over de kruitbrug loopt. De naam van de greppel ontstond in de zestiende-eeuw, toen herten in de sloot verbleven. aan uw rechterkant ligt de Koninklijke tuin, die in opdracht van de Habsburger Ferdinand I in Italiaanse stijl werd aangelegd. In de tuin staat het romantische Belvedčre. Ferdinand liet dit lustslot in 1538 voor zijn gemalin Anna neerzetten. Onder Rudolf II keek de hofastronoom Tycho Brahe vanaf het terras naar de sterren. In de tuin staat de "zingende fontein" uit 1564. De fontein dankt zijn naam aan de klank, die de vallende waterdruppels op het brons maken. Als U van de tweede naar het derde binnenhof loopt wordt Uw blik onmiddellijk getrokken door de Sint-Vitusdom. Op de plek waar nu de grootste kerk van Praag staat, bouwde de heilige Wencaslas in de tiende-eeuw een Romaanse rotonde. Deze kapel diende om een arm van Sint-Vitus, de Boheemse patroonheilige in te bewaren. In 1344 werd Praag tot aartsbisdom verheven. Karel de IV gaf daarop de opdracht een kathedraal te bouwen die deze functie waardig was. Uit eerbetoon voor de heilige Wenceslas moest de kleine rotonde deel uitmaken van het Godshuis.Omdat Karel zeer onder de indruk was van de Franse kathedralen haalde hij de Franse Matthias von Arras over de bouw op zich te nemen. Na diens dood nam de geniale architect Peter Parler zijn taak over. Parler en zijn mannen hebben ruim dertig jaar aan de dom gewerkt. Begonnen werd met het koor. Toen in 1421 de bouw vanwege de Hussietenoorlog werd stilgelegd, was slechts dit gedeelte voltooid. Het orgel sloot de westzijde af.  Toen de bouw werd voortgezet, werd het orgel als het ware opzij geklapt. Na de Hussietenoorlogen kwamen de werkzaamheden moeizaam weer opgang. Diverse andere oorlogen en een brand droegen niet bepaald bij tot een voorspoedig verloop van de bouwwerkzaamheden. Het project leek een gebed zonder einde te worden. In 1884 werd de Dombouwvereniging opgericht. In dat jaar werden de werkzaamheden weer hervat, zij het traag omdat de kosten uit giften betaald moesten worden. Pas in 1929, precies 1000 jaar na de dood van de heilige Wenceslas, werd de dom gewijd. Doordat zolang aan de kerk gewerkt is, zijn verschillende bouwstijlen te herkennen. Taferelen op de middelste bronzen deuren aan de westzijde van de kerk vertellen het verhaal van de bouw. Op de zijdeuren worden scčnes uit de levens van de heiligen Wenceslas en Adalbert uitgebeeld. Aan de zuidzijde van de kerk bood de "Gouden poort" toegang tot de kerk. Het prachtige mozaďek werd in 1371 door Venetiaanse kunstenaars uit Boheems glas gemaakt. Boven het middelste portaal knielen de zes Boheemse schutspatronen, Karel IV en zijn vierde echtgenote, Elisabeth van Pommeren, in aanbidding voor Christus. Karel gebruikte deze poort als hij vanaf het paleis de kathedraal binnenging. Als U de kathedraal binnengaat zult U getroffen worden door de schoonheid van het vrij sobere interieur. Opvallend is het verschil in de hoeveelheid licht die door de bovenste en onderste ramen naar binnen valt. Tot aan de galerij is het vrij donker, in het bovenste deel laten heldere ramen meer licht door. Het donkere gedeelte verwijst naar het aardse, terwijl het goddelijke uitbeeld. Op de galerij die beide gedeeltes scheidt, bevinden zich levensechte borstbeelden van Boheemse koningen; hun positie lag tussen hemel en aarde. De kleurigheid van de ramen heeft ook een symbolische betekenis. Het grote aantal kleuren beeld de veelzijdigheid van de schepping uit. Een venster dat bij deze symboliek goed aansluit is de prachtige rozet aan de westzijde van de kerk. Het heeft de schepping van de aarde als onderwerp. De Wenceslaskapel, die aan de zuidkant van de kerk te vinden is, werd tussen 1352 en 1364 door Peter Parler gebouwd op de oorspronkelijke Romaanse rotonde. De muren zijn met ruim dertienhonderd halfedelstenen bezet en beschildert met taferelen uit de Wenceslaslegende en de lijdensweg van Christus. Het prachtige standbeeld van de heilige Wenceslas vormt een unieke eenheid met daarachter aangebrachte renaissancemuurschilderingen. Het beeld is gemaakt door Heinrich Parler, een neef van de bouwmeester. De bronzen ring op de kapeldeur schijnt diegene te zijn waaraan de heilige Wenceslas zich vasthield toen hij in opdracht van zijn broer werd vermoord. Boven de Wenceslaskapel worden de koningskroon, de rijksappel en de scepter bewaard. De symboliek hierachter is, dat op deze manier de Boheemse dynastie rust op de heilige relikwieën van de heilige Wenceslas. een deur met zeven sloten beschermd de ingang tot die ruimte. De sleutels werden door zeven hoogwaardigheidsbekleders bewaard: de aartsbisschop, de primaat, de stadhouder, de hoogste burggraaf, de rechtbankpresident, de stadscommandant en de veldmaarschalk. In de crypte onder de Wenceslaskapel liggen de Boheemse koningen Karel IV, Wenceslas IV, Jiři van Poděbrady en keizer Rudof II begraven. Karel wordt vergezeld door zijn vier vrouwen. Voor in de kerk heeft de heilige Johannes van Nepomuk in een zilveren doodskist zijn laatste rustplaats gevonden. In het achttiende-eeuwse kunstwerk , dat ontworpen is door Johann Bernhard Fischer von Erlach, werd door de Weense zilversmid Wirth 1750 Kg. zilver verwerkt. De kist wordt door twee engelen gedragen. Bovenop het deksel knielt de heilige zelf. Het gebruik van goud voor de schrijn zou wellicht toepasselijker zijn geweest, zilver staat tenslotte voor spreken, terwijl Johannes von Nepomuk zijn zwijgen met de dood moest bekopen (Zie ook bij Karelsbrug). Voor in de kerk aan de linkerkant bevindt zich een houtsnijwerk van "de vlucht van de winterkoning", een voorspelling van het vertrek van Frederik en zijn troepen, na de nederlaag bij de slag op de "Witte Berg". Op de top van de hoofdtoren geeft de Boheemse leeuw de windrichting aan. De ongeveer achttien meter hoge monolithische obelisk naast de kerk werd in 1928, 10 jaar na de oprichting van Tsjecho-Slowakije neergezet. Tegenover de kathedraal staat het Koninklijk Paleis. Het grootste deel van de periode tussen de elfde eeuw en de zestiende eeuw kozen de Boheemse koningen dit paleis als residentie. Tussen 1383 en 1484 woonden ze echter op de plaats waar nu het representatiehuis (Obecní Dům) staat. Een lust voor het oog is de gotische Vladislavzaal. Het prachtige slingersteengewelf is van Benedikt Rejt een architect met een geweldig gevoel voor ruimtelijkheid. De zaal ontstond tussen 1487 en 1502 en diende als decor voor toernooien en als troonzaal. Tegenwoordig vindt hier de beëdiging van de president plaats. Vanuit de Vladislavzaal kunt u de Boheemse kanselarij betreden. In 1618 werden twee katholieke stadhouders en hun klerk uit een raam van dit vertrek gegooid. Zij hadden de voorwaarden van de "Letter of Majesty"gesschonden, een brief waarin Rudolf II de Boheemse edelen godsdienstvrijheid had beloofd. De drie mannen overleefden de val doordat zij op een mesthoop terecht kwamen. Met deze Tweede Praagse Defenestratie begon de Dertigjarige Oorlog. Twee obelisken in de tuin geven de plaats aan waar de edelen zouden zijn neergekomen, of - zoals de katholieken beweren - door twee engelen werden opgevangen. In de kelders van het paleis zijn een aantal maquettes van de Praagse burcht uit de diverse periodes te zien. Een ruitertrap met een gekapt lusribbengewelf leidt van de Vladislavzaal naar het plein voor de Sint-Jorisbasiliek. Het ontwerp voor het trappenhuis is eveneens van Benedikt Rejt. Over de trap kwamen ridders te paard naar de zaal. De uitsparing in de boog, halverwege de trap, diende om het voor de ruiters gemakkelijker te maken met harnas en al op het paard gezeten de zaal te betreden. In de tiende eeuw werd tegenover het koor van de Sint-Vitusdom de Sint-Jorisbasiliek (Basilika Sv. Jiří) opgetrokken. Het huidige Romaanse bouwwerk stamt uit 1142, toen de kerk na een brand herbouwd werd . Het renaissanceportaal aan de zuidzijde van de kerk werd aan het begin van de zestiende eeuw door Benedikt Rejt gebouwd. Het barokke reliëf aan de voorkant stelt Sint-Joris de drakendoder voor. In de sober ingerichte basiliek staan van links naar rechts graftombes van Vratislav I (de stichter van de kerk), Boleslav II (stichter van het ernaast gelegen klooster) en zijn zoon Oldřich. In de Ludmillakapel bevinden zich de resten van de grootmoeder van de heilige Wenceslas. Aangrenzend aan de basiliek staat het gelijknamige, Romaanse klooster. Het klooster werd in de tiende eeuw gesticht en diende ter opvoeding en scholing van adellijke dames. Vandaag de dag heeft het gebouw een geheel andere functie: oude Boheemse kunst (gotisch en barok) wordt hier tentoongesteld. Het betreft voornamelijk kerkelijke kunst. De collectie omvat onder andere schilderijen, drieluiken van altaren en beelden (di. - zo. 10 - 18 uur). Rechts van de Sint-Joreskerk begint de straat Jiřská. Halverwege deze straat kunt U linksaf naar het gouden straatje (Zlatá Ulička). In de bonte verzameling huisjes zouden aan het eind van de zestiende eeuw alchemisten in opdracht van Rudolf II naar de steen der wijzen en het geheim van het maken van goud hebben gezocht. In werkelijkheid werden de huisjes door burgerwachters en goudsmeden bewoond. In het huisje met het opschrift: "Zde žíl Frany Kafka" woonde de wereldberoemde schrijver in 1917. aan het einde van het straatje staat aan de rechterzijde het oude burggravenpaleis dat nu het Huis van de Tsjechische kinderen huisvest Burggraven vervingen de koning als deze afwezig was. Het dertien-eeuwse paleis werd in de zestiende eeuw in renaissancestijl verbouwd. Een prachtig beschilderd plafond dateert uit die tijd. Even voorbij het paleis lijdt een poortje naar de Daliborkatoren. De toren dankt de naam aan de eerste gevangene, Dalibor van Kozojedy. Deze ridder zat hier in 1498 gevangen. In die tijd moesten gevangenen zelf maar zien hoe ze aan eten kwamen. Dalibor kocht van zijn laatste geld een viool en leerde hierop spelen. eenmaal in staat een aardig melodietje ten gehore te brengen, hing hij een mandje uit het venster, waar de luisteraar wat eten in kon doen. Op het leven van de ridder baseerde de Tsjechische componist Bedřich Smetana de opera Dalibor. Aan de Jiřská staat het Lobkovicpaleis (Lobkovický Palác, niet te verwarren met het gelijknamige paleis in de Malá Strana). In dit paleis is een museum gevestigd waar U de geschiedenis van Bohemen aan de hand van de uitgestalde voorwerpen kunt volgen. Elk jaar rond Kerstmis worden er Kerstkribben tentoongesteld (di. - zo. 10 - 17 uur). Tegenover het paleis bevindt zich het speelgoedmuseum (di. - zo. 10 - 17.30 uur). De oostelijke toegang tot de burcht wordt gevormd door de dertiende-eeuwse Zwarte toren. Aan de andere kant van de toren vindt U de burchttrappen. Rechts om de hoek, onderaan de trap is het metrostation Malostranska. Een mooiere route om de burcht te verlaten is via het Hradčanské Náměstí. Vanaf het uitzichtpunt over de stad leidt een straatje omlaag naar de Nerudova in de wijk Malá Strana.

Lopend door de straten van het oude Praag zullen de ornamenten op de huizen U zeker opgevallen zijn. De beeltenissen hielden oorspronkelijk verband met de bezigheden van de bewoners. De vorm en kleur waren in dit verband vaak voorgeschreven, vooral als met de reliëfs gilden werden aangeduid. Met de jaren werd de fantasie steeds meer de vrije loop gelaten en weken de tekens van het originele grondmodel af. Ook werd niet altijd het gehele gildeteken gebruikt, slechts een kenmerk hieruit werd op de gevels aangebracht. Aan de decoraties kon de opkomst en ondergang van ambachten en beroepen in de loop van de geschiedenis worden gevolgd. Schoenen, scharen en hoefijzers bleven lange tijd bestaan. In de zeventiende-eeuw namen kanonnen en pistolen de plaats in van pijl en boog. Niet alleen gildetekens werden gebruikt om een huis aan te duiden. Huiseigenaren vertrouwden hun huis en haard ook toe aan de goede zorgen van de patroonheilige die over mensen met hun beroep waakten of brachten het symbool van deze heilige aan, zoals het rooster waarop Sint-Laurentius geroosterd werd en de drie ballen die aan Sint-Nicolaas behoorden. Na een zekere tijd werd de link met de gilden steeds verder losgelaten en nam de variatie in geveltekens toe. Wel moesten deze nog steeds aan bepaalde heraldische regels voldoen. Zo moest de staart van een vos omlaag hangen, ter onderscheiding van een wolf. In de begintijd van de geveltekens nam de eigenaar van het huis de decoratie mee als hij ging verhuizen. Later werd dit verboden omdat de huizen door de tekens van elkaar werden onderscheiden. De tekens verloren deze functie in de tijd van Maria Theresia. Zij voerde de nummering in. Hierbij werd niet op de plaats van het pand in de straat gelet, maar op de volgorde waarin de huizen werden gebouwd. De rode nummers op de huizen stammen uit die tijd. De blauwe nummers zijn de "gewone nummers" zoals ook wij die kennen.

a

Naar Boven

Malá Strana
De Přemysl Otakar II stichtte in 1257 aan de voet van de burchten tweede stad, Malá Strana (kleine of smalle zijde) om de grote toeloop van Duitse kolonisten op te kunnen vangen. In de loop der eeuwen werd het stadsdeel uitgebreid. Na 1620 verrezen grote paleizen die onderdak boden aan de rijke adel. Tussen de paleizen staan charmante huizen met booggalerijen en mooie gevels. De straat Nerudova is een toepasselijke straat om een rondgang door het stadsdeel te beginnen. De straat is namelijk genoemd naar de Tsjechische schrijver Jan Neruda (1834-1891). In zijn boek „Verhalen van de Kleine Zijde“ beschreef hij het leven in deze wijk op humoristische wijze. De schrijver/journalist woonde vanaf 1943 in het huis "In de drie zonnen". "In de drie violen" en "In de ezel bij de kribbe" zijn voorbeelden van andere opmerkelijke gevelstenen die u in deze straat aantreft. In het huis "In de gouden leeuw" op nummer 32, bevindt zich een oude apotheek (wo. - zo. 13-17 uur). Op nummer 240 in de straat Nerudova staat het rococo Bretfeldpaleis uit de tweede  helft van de achttiende eeuw. Graf Pachta, de eerste eigenaar van het paleis, was een befaamd gastheer. Zijn galabals waren vooral onder schrijvers en kunstenaars populair. Een van de gasten was Wolfgang Amadeus Mozart. Graf Pachta had hem een keer voor het diner uitgenodigd. Voordat Mozart te eten kreeg werd hij een uurtje met ganzenveer en papier opgesloten. Eerst moest hij maar eens de compositie maken waarom Pachta al zo vaak gevraagd had. Mozart werd tijdens zijn eerste bal op het paleis aan de legendarische hartenjager Giacomo Tasanova voorgesteld. Casanova is Mozart later behulpzaam geweest bij de totstandkoming van het libretto van de opera Don Giovani. Er wordt ook wel gezegd dat hij als voorbeeld diende voor de losbandige Don. Een van de belangrijkste ontwerpers uit de hoogbarok, František Kaňka, een volgeling van de bouwstijl van Giovanni Santini ontwierp het Morzinipaleis (1713) en het daar tegenover liggende Thun-Hohensteinpaleis (1723-1726). Hij nam twee bekende barokbeeldhouwers, Ferdinand Brakov en Matthias Braun in dienst om de decoraties te verzorgen. De twee adelaars die de poort van het Thunpaleis lijken te bewaken zijn de heraldische symbolen van de familie Kaňka. Het Lobkovicpaleis werd tussen 1703 en 1706 door Giovanni Batista Alliprandi in de vroeg-barokpaleis in handen genomen. De mooie tuin achter het gebouw reikt tot aan de Petřínheuvel. Tegenwoordig is in het pand de Duitse ambassade gevestigd. In de tuin van het paleis staat een beeld van een trabantje op twee benen. Het beeld herinnert aan de Oostduitsers die ten tijde van de Fluwelen Revolutie over de muur van de toenmalige Westduitse ambassade klommen en twee weken in de tuin bivakkeerden, in de hoop op politiek asiel. Ze lieten massaal hun trabantjes voor de ingang van de ambassade staan. Het hart van het stadsdeel Malá strana klopte in vroegere tijden op het Malostranské Náměstí, dat in de dertiende eeuw is ontstaan. Aan het plein staat de barokke Sint-Nicolaaskerk (chrám sv. Mikuláš, niet te verwarren met de kerk met dezelfde naam die u aan het Oude Stadsplein aantreft). Met de bouw werd in 1704 door Christian Dientzenhofer begonnen. Zijn zoon Kilian zette de werkzaamheden voort. Het interieur toont de hand van diverse meesters uit de baroktijd. Aan de plafondschildering werd zeven jaar gewerkt (1761-1768). Het onderwerp van het fresco is het leven van Sint-Nicolaas. Het grote orgel werd in 1745 door Thomas Schwarz gemaakt. Wolfgang Amadeus Mozart speelde gedurende zijn verblijf in Praag op dit instrument. Na Mozarts dood werd het requiem dat hij zelf gecomponeerd had, in de kerk aan hem opgedragen.

In de eerste zijkapel aan de linkerkant in de Sint-Nicolaaskerk zijn rechtsboven twee ramen te zien. Het rechterraam is geheel geschilderd en laat een jezuďet zien, die van achter een gordijn de kapel in kijkt. De Schilder van de kapel had iedereen verboden te kijken, voordat hij met zijn werk klaar was. De jezuďet kon zijn nieuwsgierigheid echter niet bedwingen. De Schilder kon in een spiegel zien dat de Monnik steeds om het gordijn heen gluurde en bracht voor straf diens portret op de wand aan.

Aan de noordkant van het plein staat op nummer 7/19 het voormalige woonhuis van familie Šternberk. In het huisje dat iets terug staat brak in 1541 een brand uit die het grootste deel van de Malá Strana in de as legde. Naast het huis van de familie Šternberk staat het Smiřickýpaleis. Dit paleis werd aan het begin van de zeventiende eeuw door de rijkste familie van Bohémem in die tijd, de familie Smiřický in renaissancestijl gebouwd. Later kreeg het paleis een barok uiterlijk. In het paleis werd in 1618 vergaderd door leiders van de anti-Habsburgse oppositie. De Tweede Praagse Defenestratie, die de aanleiding vormde tot de Dertigjarige Oorlog was hiervan het gevolg. Nadat de protestanten bij de Slag op de Witte Berg waren verslagen, werden de bezittingen van Smiřický geconfisqueerd. Het paleis kwam in handen van de roemruchte legeraanvoerder Albrecht Wallenstein, in die tijd een favoriet van keizer Ferdinand II (zie ook onder Cheb). Ten zuiden van de Sint-Nicolaaskerk loopt de straat Karmelitská, waaraan de Maria Victoriekerk (Kostel panny Marie Vítěyné) staat. In deze kerk wordt het gezegende kindeke Jezus van Praag vereerd. Het kleine beeldje is afkomstig uit Spanje en was het huwelijksgeschenk voor Maria Manriques de Lara en Vratislav van Pernštejn. Hun dochter Polyxena deed het kindeke kado aan de Praagse karmelieten. Zij zei daarbij: "Ik geef U iets wat veel voor mij betekent. Houd het beeldje in ere, dan zal het U goed gaan". Of het beeldje echt magische krachten bezit zal altijd wel een mysterie blijven, maar vast staat dat het na die tijd goed ging met de orde. Ferdinand II ondersteunde de karmelieten financieel en de wijnoogst op de Petřinheuvel was dat jaar overvloedig. Ook van wonderen werd gesproken: zieken werden genezen en de karmelieten bleven tijdens de pestepidemie gespaard. Het kindeke werd met geschenken overladen. Maria Theresia borduurde zelfs eigenhandig een kledingstuk. Over de hele wereld zijn kopieën van het beeldje te vinden. Het Waldsteinpaleis staat aan het gelijknamige plein, dat een stuk ten noorden van het Malostranské Náměstí ligt. De al eerder genoemde Albrecht von Waldstein (of Wallenstein) gaf de architect Giovanni Pieroni in 1620 opdracht de ontwerpen van de Italiaanse bouwmeesters Andrea Spezza en Nicolo Sebregondi gestalte te geven. De bouw nam zo'n zeven jaar in beslag. In die tijd was het paleis het grootste privé-eigendom van Praag. Drieëntwintig huizen, drie tuinen en een steenbakkerij moest plaats maken voor dit immense complex. Italiaanse en Midden-Europese invloeden vinden zijn weerslag in het laat-renaissance-ontwerp. Ook de barokke details zijn te herkennen. In het paleis is nu het ministerie van Cultuur gevestigd. Het gebouw kan slechts tijdens concerten bezocht worden. Het complex vormt een afgesloten domein waarbinnen zich ook de paleistuin (Valdštejnská zahrada) bevindt. Baccio di Bianco heeft de taferelen uit de Trojaanse oorlog en het stucwerk in de vorm van vruchten en wijnranken aangebracht. De kunstmatige grot die naast de Sala Terrana is neergezet, wordt ook wel "Waldsteins badkamer" genoemd. In de tuin staan verder kopieën van beelden van Adriaan de Vries. De originelen zijn in 1648 als oorlogsbuit naar de tuinen van het koningsslot Drottingholm in Zweden overgebracht. De tuin word aan de noordoostzijde afgesloten door de voormalige manege. In 1854 was de rijschool het decor voor het sprookjesachtige verlovingsbal van Franz Josef I en Elisabeth (Sissi). Nu biedt de manege onderdak aan wisselende exposities. De ingang tot de galerie bevindt zich  vlak bij hert metrostation Malostranská. Iets voorbij de bruggetoren van de Karelsbrug bevindt zich het Kampa-eiland. Dit eiland wordt van Malá Strana gescheiden door een arm in de rivier die de Duivels Stroom (Čertovka) genoemd wordt. Het eiland veranderde in vroegere tijden regelmatig van vorm door de stroming van het rivierwater. Ne de grote brand in het stadsdeel Malá Strana  kwam daar verandering in. De stenen die na het sloopwerk niet meer nodig waren, werden gebruikt om de oevers van het eiland te verstevigen.

a

Naar Boven

De Karels Brug
De karelsbrug (Karluv Most) verbindt de wijken Malá Strana en Staré Město. Karel IV had opdracht gegeven tot de bouw van de stenen brug omdat de houten bruggen, die eerst de oevers verbonden, niet tegen het beukende water van de Moldau waren opgewassen. Peter Parler begon in 1357 met de bouw van de 500 meter lange en 10 meter brede brug. Deze breedte was gekozen omdat 4 wagens naast elkaar op de brug moesten konden rijden. De eerste steen werd gelegd op 9 juli, de dag dat volgens de astrologen Saturnus op de "goede plek" ten opzichte van de zon stond. Het verhaal vertelt dat eieren door de specie werden gemengd, zodat de brug langer tegen het geweld van het water bestand zou zijn. Vanuit vele Boheemse plaatsen werden voor dit doel eieren naar Praag gestuurd. De bewoners van een klein dorpje waren bang dat de eieren tijdens het transport zouden breken. Daarom werden ze eerst hard gekookt. Pas in 1503 waren de werkzaamheden aan de brug voltooid. De beeldengroepen zijn van nog latere datum (17e en 18e eeuw). Aan de kant van Malá Strana vormen twee naast elkaar gelegen torens de toegang tot de brug. De kleine toren maakte in de 12e eeuw deel uit van de houten Judithbrug. Deze brug werd naar de vrouw van Vaclav II genoemd. De grote toren dateert uit 1464. Als U vanuit Malá Strana de Karelsbrug betreedt, ziet U aan de rechterzijde, naast de brug een standbeeld van de ridder Bruncvík staan. 

Ridder Bruncvík,
zijn omzwervingen leidden ridder Bruncvík en zijn gezelschap naar een naargeestig eiland waar geen levende ziel te bekennen was. Bijna de hele groep kwam om van de honger en de dorst. Bruncvík die in het bezit was van een heel bijzonder zwaard, wist zich echter door een list van de hulp van de Mythologische vogel Nob (een griffioen) te verzekeren en ontkwam. Het lot voerde hem naar een plaats waar een negenkoppige draak in gevecht was met een dubbelstaartige leeuw.  Bruncvík slaagde erin de draak met zijn zwaard enige koppen kleiner te maken. De leeuw was de dappere ridder zo dankbaar dat hij hem vanaf die dag als een trouwe hond volgde.Na diverse omzwervingen bereikte Bruncvík en zijn metgezel zijn vaderland Bohemen. Zijn vrouw had zich tijdens zijn afwezigheid uitstekend vermaakt en had zojuist een nieuwe vrijer gevonden. Bruncvík ontstak in woede en doodde zijn rivaal met het legendarische zwaard. Vanaf die tijd keerde de rust terug in de streek. Het zwaard is volgens de verhalen in de sokkel, waar het beeld van de ridder op staat verborgen. De leeuw siert sinds die tijd het Tsjechische wapen. 

Het tweede beeld aan de linkerkant stelt Sint-Vitus voor. Midden op de brug ziet U aan de linkerzijde het beeld van de Heilige Johannes van Nepomuk. Deze priester heeft enige tijd in de gevangenis van Wenceslas IV doorgebracht, omdat hij de koning niet wilde vertellen wat Wenceslas' vrouw Sophia hem tijdens de biecht had toevertrouwd. Nadat Nepomuk op aandringen van Sophia in vrijheid gesteld was herhaalde Wenceslas zijn vraag. Ook nu schond de priester zijn biechtgeheim niet.Wenceslas werd daarop zo kwaad dat hij Nepomuk vanaf de Karelsbrug in de Moldau liet werpen. Op de plaats waar hij verdronk verschenen vijf sterren die in het water een kruis vormden. Johannes van Nepomuk wordt sinds die tijd als beschermheilige van de bruggen beschouwd. Tegenover dit beeld staan de heiligen Ludmilla en Wenceslas. Ludmilla  was de grootmoeder van Wenceslas. Toen haar zoon koning Vradislav stierf, was Wenceslas nog te jong om hem op te volgen. Er ontstond een machtsstrijd tussen zijn moeder en zijn grootmoeder. Vradislavs' vrouw verzekerde zich van de overwinning door Ludmilla met haar eigen sluier te vermoorden. Verder op de brug (eveneens rechts) ziet U de stichter van de Jezuďetenorde, Fransiscus Xaverius. Hij wordt door vier heidense, Aziatische vorsten op een schild gedragen (Een Tataar, een Moor, een Chinees en een Indiër). aan het bruggehoofd staat een gotische poort die tussen 1370 en 1400 in opdracht van Karel IV en later zijn zoon  Wenceslas door Peter Parler gebouwd werd. De toren werd tussen 1874 en 1878 door Josef Mocker grondig gerestaureerd. aan de kant van Staré Město is boven de poort een beeld van Sint-Vitus te herkennen. Hij word geflankeerd door Karel IV (links) en Wenceslas IV. Op de muur van de toren ziet U een ijsvogel, het symbool van Wenceslas IV. Deze vogel wordt omringd door een koord met een liefdesknoop. De beste tijd van de dag om de Karelsbrug te bezichtigen is zeer vroeg in de ochtend, wanneer het er nog heel rustig is. Rond en in de middag en ook 's avonds verlevendigen muzikanten het beeld van de brug. Als U de Karelsbrug afstaptstaat U in het stadsdeel Staré Město.

a

Naar Boven

Staré Město (Oude Stad)
Vanaf de Karelsbrug komt U in de wijk Staré Město. U ziet dan aan Uw linkerhand de Kruisheren- of Sint-Franciscuskerk. De kerk werd in 1252 door Agnes van Bohemen, de zuster van Wenceslas IV gesticht voor de kruisheren met de rode ster. Deze kruisheren hadden als taak de brug te beschermen en te onderhouden. Tussen 1679 en 1689 verrees op de fundamenten van de dertiende-eeuwse kerk het huidige bouwwerk. Leiding over de werkzaamheden had J.B. Mathey. Aan de buitenkant van de kerk zijn onder andere beelden van Agnes en de heiligen Ludmilla, Franciscus, Wenceslas en Vitus te zien. Voor de kerk staat een beeld van Karel IV. Het standbeeld werd in 1848 ter ere van het 500 jarig jubileum van de Karelsuniversiteit door E. Hähnel gemaakt. De vrouwenfiguren in de sokkel stellen allegorieën van de eerste vier faculteiten van de universiteit voor en niet zijn vier vrouwen zoals wel gedacht werd. Aan de oevers van de rivier de Moldau staat het voormalig waterwerkgebouw uit 1883. Voor het gebouw ziet Bedřich Smetana (1824 - 1884) terwijl hij aan zijn compositie "De Moldau" werkt. De componist schreef voornamelijk nationalistische getinte muziek en opera's. In het beroemde symfonische gedicht "Ma Vlast" (Mijn Vaderland) bejubelde hij ondermeer Vyšehrad, de al genoemde Moldau en de zuidboheemse plaats Tábor. Het graffito op de muren werd gemaakt naar ontwerpen van Mikoláš Aleš en František Ženišek. Aan de overkant van de straat Křižovnická staat het Clementinum, dat in 1556 als jezuďetencollege de plaats van een dertiende-eeuwse dominicanenklooster innam. De jezuďeten waren in dat jaar door Ferdinand I naar Praag gehaald. Na de slag op de Witte Berg in 1620 nam de invloed van de orde toe. De monniken besloten daarop het Clementinum uit te breiden. Tussen 1653 en 1660 werd een vleugel aan het complex toegevoegd. In dezelfde eeuw stook Kilian Ignaz Dientzenhofer de Romaanse Sint-Clementskerk in een barok jasje. In de kerk zijn beelden uit de werkplaats van Matthias Bernhard Braun te zien (de kerkvaders Augustinus, Gregorius, Ambrosius en Hieronymus en de vier evangelisten). Een deel van de schilderingen werd gemaakt Peter Johann Brandl. Tegenwoordig zijn in het Clementinum de universiteits en de staatsbibliotheek gevestigd. Er worden regelmatig concerten gegeven in de spiegelzaal. Het Clementinum wordt aan een zijde begrensd door de Karlova, een smal kronkelig straatje dat naar het Oudenstadsplein leidt. Onderweg passeert U de straat Lilová Aan het einde van de straat ligt het Betlémské Náměstí. Hier vindt U de Bethlehemkapel (Betlémská Kaple). De kapel werd in 1391 gesticht om kerkdiensten in het Tsjechisch te houden. In 1402 begon Jan Hus in de kapel met prediken. Mensen uit alle lagen van de bevolking waren onder de indruk van de woorden waarmee hij de wantoestanden in de katholieke kerk aan de kaak stelde. In 1786 werd de Bethlehemkapel afgebroken. Zij werd echter tussen 1950 en 1952 volgens oorspronkelijke tekeningen herbouwd. De onderkoning van Napels en tevens keizerlijke gezant in Venetië en Londen, Jan Václav Gallas, gaf in 1713 opdracht tot de bouw van het Clam Gallaspaleis. Dit prachtige barokke paleis, dat op de hoek van de straten Husova en Karlova staat, werd door de Weense architect Johann Bernhard Fischer von Erlach ontworpen. Matthias Bernhard Braun heeft zijn fantasie op de ornamenten van het portaal losgelaten. Zo ook op de vier giganten die het balkon ondersteunen. In een nis in de muur aan de noordzijde van de paleistuin (aan de straatkant) staat een fontein met een vrouwenfiguur, de allegorische voorstelling van de Moldau. In de volksmond wordt het meisje Terezka genoemd. Het gerucht gaat dat een welgestelde inwoner van Praag zo van het meisje gecharmeerd was, dat hij zijn hele fortuin aan het beeldje naliet.

a

Naar Boven

Staroměstské náměstí (Oudestadsplein)
Het oudenstadsplein ademt

 

Orloj
Elk uur verzamelen zich vele toeristen onder Orloj, het astronomisch uurwerk. Als de klok slaat gaan de blauwe luikjes open en komen de twaalf apostelen te voorschijn. De dood luidt ondertussen de doodsklok. Tegelijkertijd draait hij zijn zandloper om. Naast de dood staat de Turk, ooit de aartsvijand van de Tsjecho-Slowaken en het symbool van het heidendom. Aan de linkerkant van de cirkel zijn de ijdelheid (met spiegel) en de hebzucht (met geldbuidel) te herkennen. De aartsengel Michaël (met schild en zwaard) herinnert ons aan het feit dat de tijd met het laatste oordeel zal eindigen.

Text

a

Naar Boven

Josefov
Text
a

Naar Boven

Nové Město (Nieuwe Stad)
Text
a

Naar Boven

Vyšehrad
Text
a

Naar Boven

Musea
Text
a

Naar Boven

Allerlei
Text

 

Bron:   Reishandboek Tsjechië
  ISBN 9038914709
Eveneens verkrijgbaar:   Reishandboek Slowakije
  ISBN 9038914717
Auteur:   Boukje Jansen van Galen
Uitgeverij:   Elmar