| Geschiedenis |
Naar
Boven |
|
Geschiedenis
Aan het einde van de negende eeuw
verlegden de Přemyslide vorst Borivoj (850 - 895) en zijn vrouw
Ludmilla de residentie naar Praag en lieten op de plaats waar de huidige
burcht staat tot een fort bouwen. aan de voet van de burchtheuvel ontstond
een nederzetting. Hun kleinzoon Wenceslas stichtte in 925 de Sint
Vitusrotonde. Rond die tijd ontstond ook Vyšehrad op de andere oever van
de Moldau. Vanwege de gunstige ligging aan handelsroutes en bij een
doorwaadbare plaats in de rivier was Praag in die tijd een belangrijk
handelscentrum. Boleslav II stichtte in 973 een bisbom in de stad. De
eerste bisschop was de later heilig verklaarde monnik Adalbert. In de
elfde eeuw werd melding gemaakt van een marktplaats op de plek waar zich
nu het Staroměstké Náměstí (het Oudenstadsplein) bevindt.
aangetrokken door de bedrijvigheid streken steeds meer Joodse en Duitse
kolonisten in Praag neer. In 1172 werden de beide oevers van de Moldau
door de Judithbrug verbonden. De nederzetting op de rechteroever kreeg in
1235 stadsrechten en werd Staré Město (Oude Stad) genoemd. In 1257
stichtte koning Otakar II de Malá Strana (Kleine Zijde) aan de voet van
de burchtheuvel als aparte wijk voor Duitse kooplieden. In dezelfde eeuw
werd Josefov een zelfstandige Joodse stad. Een periode van grote bloei
brak aan toen Karel IV in 1346 de Boheemse troon besteeg. Al vanaf 1340
heerste hij over dit gebied. Hij koos Praag als Keizerlijke residentie
toen hij in 1355 keizer van het Heilige Roomse Rijk werd. Praag werd het
politieke en culturele centrum van het rijk. Hij liet de burcht van
vergulde loden daken voorzien, zodat deze zouden schitteren en stralen bij
zonnig weer, als teken van de grote roem van het koninkrijk. Aan die tijd
dankt Praag de bijnaam "Gouden Stad". In 1344 was Praag tot Aartsbisdom geworden. In datzelfde jaar begon men
met de bouw van de Sint-Vituskathedraal. Vier jaar later werd de Nové Město
(Nieuwe Stad) gesticht. De stad ontstond ten zuidoosten van de Staré Město.
Een uitbreiding op de linker oever van de Moldau zou problemen hebben
gegeven vanwege de sterk oplopende bodem. Karel probeerde door de bouw van
de Nieuwe Stad het probleem van overbevolking in de Staré Město aan
te pakken. Inwoners van Praag werden door de belofte dat zij 12 jaar geen
belasting hoefden te betalen, gestimuleerd om naar de Nieuwe Stad te
verhuizen. Vooral armere mensen en handelslieden maakten van deze regeling
gebruik. Het stratenplan was zeer opmerkelijk voor die tijd. Het was
zodanig ruim opgezet dat er tot nu toe geen ingrijpende verandering
hoefden te worden aangebracht. In datzelfde jaar stichtte Karel de eerste
Universiteit in Midden Europa "Opdat de natie de vruchten van de
wetenschap op haar eigen tafel gedekt kan vinden". In 1357 begon
Peter, een van de meest opmerkelijkste architecten uit die tijd, met de
bouw van de Karelsbrug, die de in 1342 ingestorte Judithbrug moest
vervangen. Onder Karels bescherming groeide de rijkdom en de invloed van
de katholieke kerk. Vooral na Karels dood leidde de corruptie die hierdoor
ontstond tot onvrede bij de bevolking. In de Praagse Bethlehemkapel
predikte Jan Hus tegen misstanden in de kerk.. Na de dood van Jan Hus op
de brandstapel, namen de Husieten de wapens op tegen de Duitse bovenlaag
van de bevolking. Zij gooiden in 1419 enkele Katholieke raadsheren uit een
raam van het raadhuis van de Nieuwe Stad. De eerste Praagse defenestratie
was een feit. In 1490 verlegde koning Vladislav de Koninklijke residentie
naar Hongarije. Het gevolg was dat Praag zijn politieke betekenis verloor.
Eerder al had Praag op handelsgebied een belangrijkheid verloren. Ook
onder de meeste Hadsburgers speelde Praag geen politieke rol van betekenis
omdat zij het centrum van de macht in Wenen concentreerden. Onder Rudolf
II (1576 - 1611), een hartstochtelijk kunstliefhebber, bloeide Praag korte
tijd weer op als centrum van kunst en wetenschap. Rudolf koos de stad als
zijn permanente residentie. Hij omringde zichzelf met kunstenaars,
geschiedkundigen, wetenschappers en alchemisten. Aan het begin van de
Dertigjarige Oorlog werd Praag de residentie van Frederik van de Paltz, de
winterkoning. Na de overwinning van de Habsburgers bij de slag op de Witte
Berg (1620) werd Wenen opnieuw het hart van het rijk. Praag werd door de
regerende vorsten niet vaak meer bezocht. Vrijwel alleen bij de kroning
tot koning van Bohemen lieten de keizers zich zien. Onder Josef II (1780 -
1790) werden de afzonderlijke steden samen gevoegd tot een grote stad, die
tegenwoordig zo'n 1,2 miljoen inwoners telt. Op 28 oktober 1918 werd de
eerste Tsjechoslowaakse Republiek te Praag uitgeroepen. De president, Tomaš
Masaryk koos Praag als residentie. Praag werd de hoofdstad van het land.
Die functie heeft de stad vervuld, totdat zij op 1 januari 1993 hoofdstad
van Tsjechië werd.
|
| Hradcany |
Naar
Boven |
|
Hradčany
De wandeling door de burchtwijk begint
op het langwerpige plein Pohořelec. U bereikt dit plein met tram
22.Door een poortje aan het plein bereikt U het Strahovklooster (Strahovský
klastor). Het klooster werd in 1140 door Vladislav I voor de
premonstratenzer orde gesticht. In de eeuwen daarna werd het complex
diverse malen verbouwd, uitgebreid en na beschadigingen door oorlogsgeweld
hersteld. In 1671 werd de schitterende Theologische zaal toegevoegd . Ruim
tien jaar later (1682 - 1689) ontstond het huidige barokke uiterlijk onder
leiding van de architect Jean Baptiste Mathey. In dit klooster hebben de
bibliotheek en het Nationaal Letterkundig Museum (Muzeum Městské
Literatury) een onderkomen gevonden (di-zo 9 - 12 en 13 - 17 uur). De
ingang van de bibliotheek bevindt zich naast de kerk. De
plafondschildering in de Filosofische zaal is van de hand van de beroemde
barokkunstenaar F.A. Maulpertsch en stelt "De geschiedenis van de
mensheid" voor. In de ernaast gelegen Theologische zaal is de "ware
wijsheid" het onderwerp van de door broeder Siard Nosechý
vervaardigde plafondschilderijen uit het begin van de achttiende eeuw. Het
pronkstuk van de boekencollectie is een Nieuwe Testament uit de negende of
tiende eeuw. Opvallend is verder het ontbreken van Werelddeel Australië op
een van de tentoongestelde Wereldbollen. Het continent was in die tijd dat
de globe gemaakt werd nog niet door de westerlingen ontdekt. Achter het klooster strekt een park zich over de Petřinheuvel uit.
Bij het klooster begint de Hongermuur, die de tuinen in tweeën deelt. Karel IV liet deze muur tussen 1360 en 1362 door arme werklozen
bouwen. Op deze manier verschafte hij hen brood op de
plank. Vlak bij de muur staat de Sint-Laurentiuskerk.
aan deze barokke kerk dankt de heuvel zijn oorspronkelijke naam,
Laurentiusberg. De kerk staat naast een miniatuur-eiffeltoren (Rozhledna).
Vanuit de stad lijkt hij zeker zo hoog als zijn Parijse soortgenoot. De
zestig meter hoge toren werd er in 1891 in het kader van de Praagse Industriële
Beurs neergezet. Vlak bij de kerk bevindt zich een kopie van
de gotische Vyšehradtoren, waar U tegenwoordig Uzelf kunt
tegenkomen in het spiegellabyrint. Iets tenzuiden van de toren bevindt
zich een halte van een kabelbaantje naar beneden.
Op het plein Nám.
Kinských (voormalig Nám. Sovětských Tantistů) stond een kopie
van de tank waarmee generaal Lelioesjenko op 9 mei 1945 Praag bevrijdde
van de nazi's. Na de revolutie van 1989 ontstond er onenigheid of de tank
moest blijven staan of moest worden verwijderd. Voorstanders van de
verkoop wilden alle herinneringen aan de sovjets verwijderen,
tegenstanders zagen het gedenkteken als een symbool voor de dappere
soldaten die stierven tijdens de bevrijding van het land. In april 1991
was de tank een tijdje rosé. Een kunstenaar had het gevaarte uit protest
's nachts een rosé kleurtje gegeven. Al de volgende dag lag een "te
klein" dekzeil over de tank. Binnen een week liet het stadsbestuur de
tank in de oorspronkelijke groene kleur oververven. Niet lang daarna werd
het voertuig van officiële zijde rosé geverfd. Uiteindelijk werd
de tank alsnog verwijderd. Nu staat het ding in het museum voor de lucht-
en ruimtevaart in Kbely.
Vanaf het plein Pohořelec
(beginpunt bovengenoemde wandeling) kunt U de Vitus-kathedraal al zien
liggen. Als U die richting oploopt komt U op het plein Loretánské Náměstí,
waaraan de bedevaartsoord Maria Loreto staat. De kern van het
heiligdom wordt gevormd door de Casa Santauit 1626, een symbolische kopie
van het huis van de heilige familie te Nazareth. In dit huis zou de
aartsengel Gabriël aan Maria de geboorte van haar zoon Jezus Christus
hebben verkondigd. Het huis werd volgens de legende door engelen naar
Loreto in Italië overgebracht om de ongelovigen te bekeren. De Casa Santa
te Praag is een kopie van het Italiaanse origineel. Tussen de Corinthische
zuilen die het dak dragen zijn onder andere taferelen uit het leven van
Maria te zien. In de kapel bevindt zich een zwarte Madonna met kind uit
lindehout. In de tweede helft van de zestiende eeuw werd de Loreto uitgebreid met een
aantal kapellen, om de toestroom van pelgrims beter te kunnen verwerken.
In de kapel in de zuidwesthoek van het complex bevindt zich boven het
zijaltaar het beeld van de Spaanse martelares Sint-Starosta. Deze
heimelijke tot het Christelijk geloof bekeerde vrouw werd door haar
vader gedwongen te trouwen met een heidense man. De avond voor het
huwelijk vroeg zij God haar voor dit huwelijk te behoeden. Toen zij wakker
werd, was haar gezicht met een lange baard bedekt. De bruidegom in spé
keerde zich vol afschuw van haar af. Starosta's heidense vader werd
woedend en liet haar kruisigen. De meest waardevolle kostbaarheden van het bedevaartsoord bevinden zich in
de schatkamer. Het pronkstuk is de diamanten monstrans uit 1699, gemaakt
door Weense goudsmeden naar een ontwerp van Johan Bernhard Fischer von
Erlach. In deze Praagse Zon schitteren 6.222 diamanten, die afkomstig zijn
van het bruidskleed van een adellijke dame (do-zo. 9-12.15 en 13-16.30
uur).
Vlak bij de Loreto
kerk woonde een arme weduwe die evenveel kinderen had als er klokken in
het carillon hingen. Deze kinderen werden daarom "de Loretta
klokken"genoemd. De weduwe droeg een ketting met daaraan voor elk
kind een zilveren muntje. In die dagen heerste er een pestepidemie. Ook
aan de deur van de weduwe ging de zwarte dood niet voorbij. Een voor een
nam de dood de kinderen weg. Voor elk kind offerde de weduwe een muntje op
om de doodsklok te laten luiden, zodat de hemelpoorten zich voor het kind
zouden openen. Als laatste werd de weduwe zelf het slachtoffer van de zeer
besmettelijke ziekte. Toen ze haar einde zag naderen werd ze getroost door
de gedachte dat ze haar kinderen naar het paradijs zou volgen. Haar
muntjes waren echter op en er was niemand die het luiden van klokken voor
haar kon betalen. Opeens begonnen de klokken uit zichzelf te klingelen en
speelden een liefelijk lied. Sinds die tijd werd het uur niet langer door
eenvoudig gelui aangegeven, maar speelt het carillon die romantische
melodie.
Tegenover de Loreto staat het grootste neoklassieke
paleis in Praag, het Černín paleis. De architect Francesco Caratti
ontwierp het paleis in 1669 voor Humprecht Černín. Deze keizerlijke
gezant in Venetië was een van de rijkste edelen van zijn tijd. De kosten
van de bouw van het enorme pand hebben hem financieel bijna geruďneerd.
Onder de eerste president van de republiek Tsjecho-Slowakije, Tomáš
Garyk Masaryk had het paleis een representatieve functie. In de Tweede Wereldoorlog gebruikte de Reichsprotector het gebouw als
onderkomen. Na de overname van de macht door de communisten in 1948 werd
de zoon van de eerste president, Jan Masaryk dood onder een van de ramen
aangetroffen. Volgens de officiële berichten was hij zelf gesprongen,
tegenstanders van het regime zeiden dat hij uit het raam gegooid was. In
1991 werd een brief gepubliceerd waaruit zou moeten blijken dat Masaryk
zelfmoord had gepleegd. Het betrof een brief waarin hij aan Stalin
schreef, dat hij niet kon leven in een land waar geen vrijheid meer
bestond. Aan de echtheid van de brief wordt echter door velen getwijfeld.
Achter de kapucijnerkerk begint de Nieuwe Wereld (Nový Svět). Deze
pittoreske buurt had niet altijd zo'n charmant karakter. Lange tijd was de
wijk een achterbuurt van Praag. Nu wordt de wijk voornamelijk door
kunstenaars bewoond. In zijn huidige vorm stamt de buurt uit de baroktijd.
Vanaf het Loretanské Náměstí leidt een smal straatje naar het Hradčanské
Náměstí. U passeert onderweg rechts het oude stadhuis van de wijk
Hradčany. Rechts van de deur ziet u een ijzeren staaf, de
"Praagse el". Rond 1320 ontstond op de plaats van het Hradčanské
Náměstí de stad Hradčany. Het huidige, mondaine aanzien
ontstond na een brand in 1541, toen een groot deel van de huizen in de as
gelegd werd. Wat overbleef, moest niet lang daarna plaats maken voor de
weelderige paleizen van de in die tijd machtige adel. Deze paleizen
bepalen ook nu nog het straatbeeld. De bouwwerkzaamheden veroorzaakten een
toevloed van Italiaanse bouwmeesters en hum families. Zij vestigden zich
in de Malá Strana. Aan de zuidkant van het plein staat een pronkstuk van
renaissancebouwkunst, het Schwarzenbergpaleis. Hoewel de naam
anders doet vermoeden, werd het paleis niet door de Schwazenbergs gebouwd
maar liet Jan Lobkovicz het pand tussen 1545 in 1563 in de Florentijnse
stijl optrekken. Volgens de verhalen had de knappe architect Agustino een
verhouding met de jonge vrouw van Lobkovicz. De edelman ontdekte de
relatie en wilde daarom de architect niet betalen. Vervolgens metselde de
Italiaan Augustino uit wraak een gewei aan een van de dakranden, als
"cornuto" (hoorntjesdrager), het symbool voor de man wiens vrouw
overspel pleegt. Het gewei is vanaf het Hradčanské Náměstí te
zien. De muren van het paleis vallen op door prachtige sgraffito
decoraties. Het geheel doet denken aan de Florentijnse paleisbouw.
Tegenwoordig biedt het paleis onderdak aan het Militair Historisch Museum
(di.-zo, 10-18 uur). Het aan de overkant gelegen zestiende-eeuwse Aartsbisschoppelijk
paleis dankt zijn naam aan het feit dat de Habsburge keizer Ferdinand
I het gebouw aan de eerste aartsbisschop van Praag schonk. Het van
oorsprong renaissancepaleis werd in de tweede helft van de
zeventiende-eeuw door de Franse architect Jean-Baptiste Mathey in de
barokstijl verbouwd. Het huidige rococo-uiterlijk ontstond een eeuw later.
In het ernaast gelegen zeventiende-eeuwse Šternberkpaleis is de
afdeling Europese kunst van de Nationale Galerie Gehuisvest (di.-zo. 10-18
uur). Een smal steegje leidt naar dit paleis. Tot de permanente collectie
behoren doeken van 14e - 18e eeuwse Italiaanse meesters, Nederlandse en
Vlaamse schilders uit de 15e en 16e eeuw. Ook Duitse schilders uit de 15e
- 17e eeuw zijn vertegenwoordigd. Breugel de Oudere, Dürer, Tintoretto en
El Greco bevinden zich in het gezelschap van ondermeer Rubens en Frans
Hals. Aan dezelfde kant van het plein werd in 1570 het Martinitzpaleis
neergezet. Tijdens de Tweede Praagse Defenestratie (1618) overleefde
Martinitz de val uit het raam van de Praagse burcht omdat hij op een
mesthoop terechtkwam. Tegenover de burcht staat het Toscanapaleis.
Jean Baptiste Mathey ontwierp dit imposante gebouw voor graaf Michael Thun,
waarna het tussen 1689 en 1691 onder leiding van Jakub Canevale werd
neergezet. In 1718 gaf de toenmalige bezitter Toskánský zijn naam het
paleis.
|
| Praagse
Burcht |
Naar
Boven |
De
Praagse burcht
Vanaf het plein Hradčanské Náměstí
betreedt U de eerste binnenhof door een poort in het hek. Deze
doorgang wordt dag en nacht bewaakt door twee levende schildwachten en
twee verstarde strijdende reuzen uit 1768. Elk uur wordt de wacht
gewisseld. Om twaalf uur wordt dit wisselen van de wacht omlijst met
muziek. Václav Havel heeft de nieuwe uniformen laten ontwerpen. In de
winter dragen de wachten mutsen die gemaakt zijn van bont, dat geschonken
is door naar Canada uitgeweken Tsjechen en Slowaken. Maria Theresia gaf de
Weense architect Nikolaus Pacassi opdracht tot de bouw van het eerste
voorhof. In het classicistische bouwwerk werd de reeds bestaande Matthiaspoort
opgenomen. deze toren stond oorspronkelijk los. In 1614 begon de architect
van de Dom van Salzburg met de bouw van de toren, die voor
verdedigingsdoeleinden bestemd was. De opdrachtgever was koning Matthias.
Via de poort bereikt U het tweede binnenhof. Deze binnenplaats
dateert uit dezelfde tijd als de eerste. aan de zuidkant staat de
achttiende-eeuwse Heilige-Kruiskapel waarin sinds 1961 de
liturgische schatten en relikwieën uit de Sint-Vitusdom bewaard worden.
Onder de kostbaarheden bevinden zich de helm en de maliënkolder van de
Heilige Wenceslas. Deze koning was met de aanleg van de verzameling
begonnen. Karel IV heeft de collectie uitgebreid. Hij was een
hartstochtelijk verzamelaar van heilige relikwieën. Op het plein staat
een kooi, waarin ontrouwe vrouwen werden opgesloten. Aan de noordzijde van de binnenplaats vindt U de voormalige rijschool
en de daarbij behorende Spaanse zaal en de Rudolfgalerie. De Spaanse zaal
dateert uit 1601 - 1606 en werd halverwege de achttiende-eeuw onder
leiding van Kilian Ignaz Dientzenhofer verbouwd. Een volgende renovatie
vond plaats tussen 1865 en 1868, ter gelegenheid van de kroning van keizer
Franz Josef I tot koning van Bohemen. De Rudolfgalerie werd aan het eind
van de zestiende eeuw gebouwd. In de zeventiende-eeuw bewaarde Rudolf II
zijn kunstcollectie in dit vertrek. De kunstminnende Rudolf was een
geestdriftig verzamelaar van schilderijen, curiositeiten en andere
kunstwerken. Zijn collectie was wereldberoemd. Later werden veel doeken
verkocht of naar Wenen overgebracht. In de zalen worden tegenwoordig
wisselende tentoonstellingen gehouden. Via het tweede binnenhof kunt U de
burcht aan de noordzijde verlaten. U passeert de hertensloot als U over de
kruitbrug loopt. De naam van de greppel ontstond in de zestiende-eeuw,
toen herten in de sloot verbleven. aan uw rechterkant ligt de Koninklijke
tuin, die in opdracht van de Habsburger Ferdinand I in Italiaanse
stijl werd aangelegd. In de tuin staat het romantische Belvedčre.
Ferdinand liet dit lustslot in 1538 voor zijn gemalin Anna neerzetten.
Onder Rudolf II keek de hofastronoom Tycho Brahe vanaf het terras naar de
sterren. In de tuin staat de "zingende fontein" uit 1564. De
fontein dankt zijn naam aan de klank, die de vallende waterdruppels op het
brons maken. Als U van de tweede naar het derde binnenhof loopt
wordt Uw blik onmiddellijk getrokken door de Sint-Vitusdom. Op de
plek waar nu de grootste kerk van Praag staat, bouwde de heilige Wencaslas
in de tiende-eeuw een Romaanse rotonde. Deze kapel diende om een arm van
Sint-Vitus, de Boheemse patroonheilige in te bewaren. In 1344 werd Praag
tot aartsbisdom verheven. Karel de IV gaf daarop de opdracht een
kathedraal te bouwen die deze functie waardig was. Uit eerbetoon voor de
heilige Wenceslas moest de kleine rotonde deel uitmaken van het
Godshuis.Omdat Karel zeer onder de indruk was van de Franse kathedralen
haalde hij de Franse Matthias von Arras over de bouw op zich te nemen. Na
diens dood nam de geniale architect Peter Parler zijn taak over. Parler en
zijn mannen hebben ruim dertig jaar aan de dom gewerkt. Begonnen werd met
het koor. Toen in 1421 de bouw vanwege de Hussietenoorlog werd stilgelegd,
was slechts dit gedeelte voltooid. Het orgel sloot de westzijde af.
Toen de bouw werd voortgezet, werd het orgel als het ware opzij geklapt.
Na de Hussietenoorlogen kwamen de werkzaamheden moeizaam weer opgang.
Diverse andere oorlogen en een brand droegen niet bepaald bij tot een
voorspoedig verloop van de bouwwerkzaamheden. Het project leek een gebed
zonder einde te worden. In 1884 werd de Dombouwvereniging opgericht. In
dat jaar werden de werkzaamheden weer hervat, zij het traag omdat de
kosten uit giften betaald moesten worden. Pas in 1929, precies 1000 jaar
na de dood van de heilige Wenceslas, werd de dom gewijd. Doordat zolang
aan de kerk gewerkt is, zijn verschillende bouwstijlen te herkennen.
Taferelen op de middelste bronzen deuren aan de westzijde van de kerk
vertellen het verhaal van de bouw. Op de zijdeuren worden scčnes uit de
levens van de heiligen Wenceslas en Adalbert uitgebeeld. Aan de zuidzijde van de kerk bood de "Gouden poort" toegang tot
de kerk. Het prachtige mozaďek werd in 1371 door Venetiaanse kunstenaars
uit Boheems glas gemaakt. Boven het middelste portaal knielen de zes
Boheemse schutspatronen, Karel IV en zijn vierde echtgenote, Elisabeth van
Pommeren, in aanbidding voor Christus. Karel gebruikte deze poort als hij
vanaf het paleis de kathedraal binnenging. Als U de kathedraal binnengaat
zult U getroffen worden door de schoonheid van het vrij sobere interieur.
Opvallend is het verschil in de hoeveelheid licht die door de bovenste en
onderste ramen naar binnen valt. Tot aan de galerij is het vrij donker, in
het bovenste deel laten heldere ramen meer licht door. Het donkere
gedeelte verwijst naar het aardse, terwijl het goddelijke uitbeeld. Op de
galerij die beide gedeeltes scheidt, bevinden zich levensechte
borstbeelden van Boheemse koningen; hun positie lag tussen hemel en aarde.
De kleurigheid van de ramen heeft ook een symbolische betekenis. Het grote
aantal kleuren beeld de veelzijdigheid van de schepping uit. Een venster
dat bij deze symboliek goed aansluit is de prachtige rozet aan de
westzijde van de kerk. Het heeft de schepping van de aarde als onderwerp. De Wenceslaskapel, die aan de zuidkant van de kerk te vinden is,
werd tussen 1352 en 1364 door Peter Parler gebouwd op de oorspronkelijke
Romaanse rotonde. De muren zijn met ruim dertienhonderd halfedelstenen
bezet en beschildert met taferelen uit de Wenceslaslegende en de
lijdensweg van Christus. Het prachtige standbeeld van de heilige Wenceslas
vormt een unieke eenheid met daarachter aangebrachte
renaissancemuurschilderingen. Het beeld is gemaakt door Heinrich Parler,
een neef van de bouwmeester. De bronzen ring op de kapeldeur schijnt
diegene te zijn waaraan de heilige Wenceslas zich vasthield toen hij in
opdracht van zijn broer werd vermoord. Boven de Wenceslaskapel worden de
koningskroon, de rijksappel en de scepter bewaard. De symboliek hierachter
is, dat op deze manier de Boheemse dynastie rust op de heilige relikwieën
van de heilige Wenceslas. een deur met zeven sloten beschermd de ingang
tot die ruimte. De sleutels werden door zeven hoogwaardigheidsbekleders
bewaard: de aartsbisschop, de primaat, de stadhouder, de hoogste
burggraaf, de rechtbankpresident, de stadscommandant en de veldmaarschalk.
In de crypte onder de Wenceslaskapel liggen de Boheemse koningen Karel IV,
Wenceslas IV, Jiři van Poděbrady en keizer Rudof II begraven.
Karel wordt vergezeld door zijn vier vrouwen. Voor in de kerk heeft de heilige Johannes van Nepomuk in een zilveren
doodskist zijn laatste rustplaats gevonden. In het achttiende-eeuwse
kunstwerk , dat ontworpen is door Johann Bernhard Fischer von Erlach, werd
door de Weense zilversmid Wirth 1750 Kg. zilver verwerkt. De kist wordt
door twee engelen gedragen. Bovenop het deksel knielt de heilige zelf. Het
gebruik van goud voor de schrijn zou wellicht toepasselijker zijn geweest,
zilver staat tenslotte voor spreken, terwijl Johannes von Nepomuk zijn
zwijgen met de dood moest bekopen (Zie ook bij Karelsbrug). Voor in de
kerk aan de linkerkant bevindt zich een houtsnijwerk van "de vlucht
van de winterkoning", een voorspelling van het vertrek van Frederik
en zijn troepen, na de nederlaag bij de slag op de "Witte Berg".
Op de top van de hoofdtoren geeft de Boheemse leeuw de windrichting aan.
De ongeveer achttien meter hoge monolithische obelisk naast de kerk werd
in 1928, 10 jaar na de oprichting van Tsjecho-Slowakije neergezet. Tegenover de kathedraal staat het Koninklijk Paleis. Het grootste
deel van de periode tussen de elfde eeuw en de zestiende eeuw kozen de
Boheemse koningen dit paleis als residentie. Tussen 1383 en 1484 woonden
ze echter op de plaats waar nu het representatiehuis (Obecní Dům)
staat. Een lust voor het oog is de gotische Vladislavzaal. Het prachtige slingersteengewelf
is van Benedikt Rejt een architect met een geweldig
gevoel voor ruimtelijkheid. De zaal ontstond tussen 1487 en 1502 en diende
als decor voor toernooien en als troonzaal. Tegenwoordig vindt hier de
beëdiging van de president plaats. Vanuit de Vladislavzaal kunt u de
Boheemse kanselarij betreden. In 1618 werden twee katholieke stadhouders
en hun klerk uit een raam van dit vertrek gegooid. Zij hadden de
voorwaarden van de "Letter of Majesty"gesschonden, een brief
waarin Rudolf II de Boheemse edelen godsdienstvrijheid had beloofd. De
drie mannen overleefden de val doordat zij op een mesthoop terecht kwamen.
Met deze Tweede Praagse Defenestratie begon de Dertigjarige Oorlog. Twee
obelisken in de tuin geven de plaats aan waar de edelen zouden zijn
neergekomen, of - zoals de katholieken beweren - door twee engelen werden
opgevangen. In de kelders van het paleis zijn een aantal maquettes van de
Praagse burcht uit de diverse periodes te zien. Een ruitertrap met een gekapt lusribbengewelf leidt van de Vladislavzaal
naar het plein voor de Sint-Jorisbasiliek. Het ontwerp voor het
trappenhuis is eveneens van Benedikt Rejt. Over de trap kwamen ridders te
paard naar de zaal. De uitsparing in de boog, halverwege de trap, diende
om het voor de ruiters gemakkelijker te maken met harnas en al op het
paard gezeten de zaal te betreden. In de tiende eeuw werd tegenover het koor van de Sint-Vitusdom de Sint-Jorisbasiliek
(Basilika Sv. Jiří) opgetrokken. Het huidige Romaanse bouwwerk stamt
uit 1142, toen de kerk na een brand herbouwd werd . Het renaissanceportaal
aan de zuidzijde van de kerk werd aan het begin van de zestiende eeuw door
Benedikt Rejt gebouwd. Het barokke reliëf aan de voorkant stelt
Sint-Joris de drakendoder voor. In de sober ingerichte basiliek staan van
links naar rechts graftombes van Vratislav I (de stichter van de kerk),
Boleslav II (stichter van het ernaast gelegen klooster) en zijn zoon Oldřich.
In de Ludmillakapel bevinden zich de resten van de grootmoeder van de
heilige Wenceslas. Aangrenzend aan de basiliek staat het gelijknamige,
Romaanse klooster. Het klooster werd in de tiende eeuw gesticht en
diende ter opvoeding en scholing van adellijke dames. Vandaag de dag heeft
het gebouw een geheel andere functie: oude Boheemse kunst (gotisch en
barok) wordt hier tentoongesteld. Het betreft voornamelijk kerkelijke
kunst. De collectie omvat onder andere schilderijen, drieluiken van
altaren en beelden (di. - zo. 10 - 18 uur). Rechts van de Sint-Joreskerk begint de straat Jiřská. Halverwege
deze straat kunt U linksaf naar het gouden straatje (Zlatá Ulička).
In de bonte verzameling huisjes zouden aan het eind van de zestiende eeuw
alchemisten in opdracht van Rudolf II naar de steen der wijzen en het
geheim van het maken van goud hebben gezocht. In werkelijkheid werden de
huisjes door burgerwachters en goudsmeden bewoond. In het huisje met het
opschrift: "Zde žíl Frany Kafka" woonde de wereldberoemde
schrijver in 1917. aan het einde van het straatje staat aan de
rechterzijde het oude burggravenpaleis dat nu het Huis van de
Tsjechische kinderen huisvest Burggraven vervingen de koning als deze
afwezig was. Het dertien-eeuwse paleis werd in de zestiende eeuw in
renaissancestijl verbouwd. Een prachtig beschilderd plafond dateert uit
die tijd. Even voorbij het paleis lijdt een poortje naar de Daliborkatoren.
De toren dankt de naam aan de eerste gevangene, Dalibor van Kozojedy. Deze
ridder zat hier in 1498 gevangen. In die tijd moesten gevangenen zelf maar
zien hoe ze aan eten kwamen. Dalibor kocht van zijn laatste geld een viool
en leerde hierop spelen. eenmaal in staat een aardig melodietje ten gehore
te brengen, hing hij een mandje uit het venster, waar de luisteraar wat
eten in kon doen. Op het leven van de ridder baseerde de Tsjechische
componist Bedřich Smetana de opera Dalibor. Aan de Jiřská staat
het Lobkovicpaleis (Lobkovický Palác, niet te verwarren met het
gelijknamige paleis in de Malá Strana). In dit paleis is een museum
gevestigd waar U de geschiedenis van Bohemen aan de hand van de
uitgestalde voorwerpen kunt volgen. Elk jaar rond Kerstmis worden er
Kerstkribben tentoongesteld (di. - zo. 10 - 17 uur). Tegenover het paleis
bevindt zich het speelgoedmuseum (di. - zo. 10 - 17.30 uur). De
oostelijke toegang tot de burcht wordt gevormd door de dertiende-eeuwse Zwarte
toren. Aan de andere kant van de toren vindt U de burchttrappen.
Rechts om de hoek, onderaan de trap is het metrostation Malostranska. Een
mooiere route om de burcht te verlaten is via het Hradčanské Náměstí.
Vanaf het uitzichtpunt over de stad leidt een straatje omlaag naar de
Nerudova in de wijk Malá Strana.
Lopend door de
straten van het oude Praag zullen de ornamenten op de huizen U zeker
opgevallen zijn. De beeltenissen hielden oorspronkelijk verband met de bezigheden
van de bewoners. De vorm en kleur waren in dit verband vaak
voorgeschreven, vooral als met de reliëfs gilden werden aangeduid. Met de
jaren werd de fantasie steeds meer de vrije loop gelaten en weken de
tekens van het originele grondmodel af. Ook werd niet altijd het gehele
gildeteken gebruikt, slechts een kenmerk hieruit werd op de gevels
aangebracht. Aan de decoraties kon de opkomst en ondergang van ambachten
en beroepen in de loop van de geschiedenis worden gevolgd. Schoenen,
scharen en hoefijzers bleven lange tijd bestaan. In de zeventiende-eeuw
namen kanonnen en pistolen de plaats in van pijl en boog. Niet alleen gildetekens werden gebruikt om een huis aan te duiden.
Huiseigenaren vertrouwden hun huis en haard ook toe aan de goede zorgen
van de patroonheilige die over mensen met hun beroep waakten of brachten
het symbool van deze heilige aan, zoals het rooster waarop Sint-Laurentius
geroosterd werd en de drie ballen die aan Sint-Nicolaas behoorden. Na een zekere tijd werd de link met de gilden steeds verder losgelaten en
nam de variatie in geveltekens toe. Wel moesten deze nog steeds aan
bepaalde heraldische regels voldoen. Zo moest de staart van een vos omlaag
hangen, ter onderscheiding van een wolf. In de begintijd van de
geveltekens nam de eigenaar van het huis de decoratie mee als hij ging
verhuizen. Later werd dit verboden omdat de huizen door de tekens van
elkaar werden onderscheiden. De tekens verloren deze functie in de tijd
van Maria Theresia. Zij voerde de nummering in. Hierbij werd niet op de
plaats van het pand in de straat gelet, maar op de volgorde waarin de
huizen werden gebouwd. De rode nummers op de huizen stammen uit die tijd.
De blauwe nummers zijn de "gewone nummers" zoals ook wij die
kennen.
|
| a |
Naar
Boven |
|
Malá
Strana
De Přemysl Otakar II stichtte in
1257 aan de voet van de burchten tweede stad, Malá Strana (kleine of
smalle zijde) om de grote toeloop van Duitse kolonisten op te kunnen
vangen. In de loop der eeuwen werd het stadsdeel uitgebreid. Na 1620
verrezen grote paleizen die onderdak boden
aan de rijke adel. Tussen de paleizen staan charmante huizen met
booggalerijen en mooie gevels. De straat Nerudova is een
toepasselijke straat om een rondgang door het stadsdeel te beginnen. De
straat is namelijk genoemd naar de Tsjechische schrijver Jan Neruda
(1834-1891). In zijn boek „Verhalen van de Kleine Zijde“ beschreef hij
het leven in deze wijk op humoristische wijze. De schrijver/journalist
woonde vanaf 1943 in het huis "In de drie zonnen". "In de
drie violen" en "In de ezel bij de kribbe" zijn voorbeelden
van andere opmerkelijke gevelstenen die u in deze straat aantreft. In het
huis "In de gouden leeuw" op nummer 32, bevindt zich een oude
apotheek (wo. - zo. 13-17 uur). Op nummer 240 in de straat Nerudova staat
het rococo Bretfeldpaleis uit de tweede
helft van de achttiende eeuw. Graf Pachta, de eerste eigenaar van
het paleis, was een befaamd gastheer. Zijn galabals waren vooral onder
schrijvers en kunstenaars populair. Een van de gasten was Wolfgang Amadeus
Mozart. Graf Pachta had hem een keer voor het diner uitgenodigd. Voordat
Mozart te eten kreeg werd hij een uurtje met ganzenveer en papier
opgesloten. Eerst moest hij maar eens de compositie maken waarom Pachta al
zo vaak gevraagd had. Mozart werd tijdens zijn eerste bal op het paleis
aan de legendarische hartenjager Giacomo Tasanova voorgesteld. Casanova is
Mozart later behulpzaam geweest bij de totstandkoming van het libretto van
de opera Don Giovani. Er wordt ook wel gezegd dat hij als voorbeeld diende
voor de losbandige Don. Een van de belangrijkste ontwerpers uit de hoogbarok, František Kaňka,
een volgeling van de bouwstijl van Giovanni Santini ontwierp het Morzinipaleis
(1713) en het daar tegenover liggende Thun-Hohensteinpaleis
(1723-1726). Hij nam twee bekende barokbeeldhouwers, Ferdinand Brakov en
Matthias Braun in dienst om de decoraties te verzorgen. De twee adelaars
die de poort van het Thunpaleis lijken te bewaken zijn de heraldische
symbolen van de familie Kaňka. Het Lobkovicpaleis werd tussen
1703 en 1706 door Giovanni Batista Alliprandi in de vroeg-barokpaleis in
handen genomen. De mooie tuin achter het gebouw reikt tot aan de Petřínheuvel.
Tegenwoordig is in het pand de Duitse ambassade gevestigd. In de tuin van
het paleis staat een beeld van een trabantje op twee benen. Het beeld
herinnert aan de Oostduitsers die ten tijde van de Fluwelen Revolutie over
de muur van de toenmalige Westduitse ambassade klommen en twee weken in de
tuin bivakkeerden, in de hoop op politiek asiel. Ze lieten massaal hun
trabantjes voor de ingang van de ambassade staan. Het hart van het
stadsdeel Malá strana klopte in vroegere tijden op het Malostranské Náměstí,
dat in de dertiende eeuw is ontstaan. Aan het plein staat de barokke Sint-Nicolaaskerk
(chrám sv. Mikuláš, niet te verwarren met de kerk met dezelfde naam die
u aan het Oude Stadsplein aantreft). Met de bouw werd in 1704 door
Christian Dientzenhofer begonnen. Zijn zoon Kilian zette de werkzaamheden
voort. Het interieur toont de hand van diverse meesters uit de baroktijd.
Aan de plafondschildering werd zeven jaar gewerkt (1761-1768). Het
onderwerp van het fresco is het leven van Sint-Nicolaas. Het grote orgel
werd in 1745 door Thomas Schwarz gemaakt. Wolfgang Amadeus Mozart speelde
gedurende zijn verblijf in Praag op dit instrument. Na Mozarts dood werd
het requiem dat hij zelf gecomponeerd had, in de kerk aan hem opgedragen.
In
de eerste zijkapel aan de linkerkant in de Sint-Nicolaaskerk zijn rechtsboven
twee ramen te zien. Het rechterraam is geheel geschilderd en laat een jezuďet
zien, die van achter een gordijn de kapel in kijkt.
De Schilder
van de kapel had iedereen verboden
te kijken, voordat hij met zijn werk klaar
was. De jezuďet
kon zijn nieuwsgierigheid echter niet bedwingen. De Schilder
kon in een spiegel zien dat de Monnik
steeds
om het gordijn heen gluurde en bracht voor straf diens
portret
op de wand aan.
Aan de noordkant van het plein staat op nummer 7/19 het
voormalige woonhuis van familie Šternberk. In het huisje dat iets terug
staat brak in 1541 een brand uit die het grootste deel van de Malá Strana
in de as legde. Naast het huis van de familie Šternberk staat het Smiřickýpaleis.
Dit paleis werd aan het begin van de zeventiende eeuw door de rijkste
familie van Bohémem in die tijd, de familie Smiřický in
renaissancestijl gebouwd. Later kreeg het paleis een barok uiterlijk. In
het paleis werd in 1618 vergaderd door leiders van de anti-Habsburgse
oppositie. De Tweede Praagse Defenestratie, die de aanleiding vormde tot
de Dertigjarige Oorlog was hiervan het gevolg. Nadat de protestanten bij
de Slag op de Witte Berg waren verslagen, werden de bezittingen van Smiřický
geconfisqueerd. Het paleis kwam in handen van de roemruchte
legeraanvoerder Albrecht Wallenstein, in die tijd een favoriet van keizer
Ferdinand II (zie ook onder Cheb). Ten zuiden van de Sint-Nicolaaskerk loopt de straat Karmelitská, waaraan
de Maria Victoriekerk (Kostel panny Marie Vítěyné) staat. In
deze kerk wordt het gezegende kindeke Jezus van Praag vereerd. Het kleine
beeldje is afkomstig uit Spanje en was het huwelijksgeschenk voor Maria
Manriques de Lara en Vratislav van Pernštejn. Hun dochter Polyxena deed
het kindeke kado aan de Praagse karmelieten. Zij zei daarbij: "Ik
geef U iets wat veel voor mij betekent. Houd het beeldje in ere, dan zal
het U goed gaan". Of het beeldje echt magische krachten bezit zal
altijd wel een mysterie blijven, maar vast staat dat het na die tijd goed
ging met de orde. Ferdinand II ondersteunde de karmelieten financieel en
de wijnoogst op de Petřinheuvel was dat jaar overvloedig. Ook van
wonderen werd gesproken: zieken werden genezen en de karmelieten bleven
tijdens de pestepidemie gespaard. Het kindeke werd met geschenken
overladen. Maria Theresia borduurde zelfs eigenhandig een kledingstuk.
Over de hele wereld zijn kopieën van het beeldje te vinden. Het Waldsteinpaleis staat aan het gelijknamige plein, dat een stuk ten
noorden van het Malostranské Náměstí ligt. De al eerder genoemde
Albrecht von Waldstein (of Wallenstein) gaf de architect Giovanni Pieroni
in 1620 opdracht de ontwerpen van de Italiaanse bouwmeesters Andrea Spezza
en Nicolo Sebregondi gestalte te geven. De bouw nam zo'n zeven jaar in
beslag. In die tijd was het paleis het grootste privé-eigendom van Praag.
Drieëntwintig huizen, drie tuinen en een steenbakkerij moest plaats maken
voor dit immense complex. Italiaanse en Midden-Europese invloeden vinden
zijn weerslag in het laat-renaissance-ontwerp. Ook
de barokke details zijn te herkennen. In het paleis is nu het ministerie
van Cultuur gevestigd. Het gebouw kan slechts tijdens concerten bezocht
worden. Het complex vormt een afgesloten domein waarbinnen zich ook de paleistuin
(Valdštejnská zahrada) bevindt. Baccio di Bianco heeft de taferelen uit
de Trojaanse oorlog en het stucwerk in de vorm van vruchten en wijnranken
aangebracht. De kunstmatige grot die naast de Sala Terrana is neergezet,
wordt ook wel "Waldsteins badkamer" genoemd. In de tuin staan
verder kopieën van beelden van Adriaan de Vries. De originelen zijn in
1648 als oorlogsbuit naar de tuinen van het koningsslot Drottingholm in
Zweden overgebracht. De tuin word aan de noordoostzijde afgesloten door de
voormalige manege. In 1854 was de rijschool het decor voor het
sprookjesachtige verlovingsbal van Franz Josef I en Elisabeth (Sissi).
Nu biedt de manege onderdak aan wisselende exposities. De ingang tot de
galerie bevindt zich vlak bij hert metrostation Malostranská. Iets voorbij de bruggetoren van de Karelsbrug bevindt zich het Kampa-eiland.
Dit eiland wordt van Malá Strana gescheiden door een arm in de rivier die
de Duivels Stroom (Čertovka) genoemd wordt. Het eiland veranderde in
vroegere tijden regelmatig van vorm door de stroming van het rivierwater.
Ne de grote brand in het stadsdeel Malá Strana kwam daar
verandering in. De stenen die na het sloopwerk niet meer nodig waren,
werden gebruikt om de oevers van het eiland te verstevigen.
|
| a |
Naar
Boven |
|
De
Karels Brug
De karelsbrug (Karluv Most) verbindt de
wijken Malá Strana en Staré Město. Karel IV had opdracht gegeven
tot de bouw van de stenen brug omdat de houten bruggen, die eerst de
oevers verbonden, niet tegen het beukende water van de Moldau waren
opgewassen. Peter Parler begon in 1357 met de bouw van de 500 meter lange
en 10 meter brede brug. Deze breedte was gekozen omdat 4 wagens naast
elkaar op de brug moesten konden rijden. De eerste steen werd gelegd op 9
juli, de dag dat volgens de astrologen Saturnus op de "goede
plek" ten opzichte van de zon stond. Het verhaal vertelt dat eieren
door de specie werden gemengd, zodat de brug langer tegen het geweld van
het water bestand zou zijn. Vanuit vele Boheemse plaatsen werden voor dit
doel eieren naar Praag gestuurd. De bewoners van een klein dorpje waren
bang dat de eieren tijdens het transport zouden breken. Daarom werden ze
eerst hard gekookt. Pas in 1503 waren de werkzaamheden aan de brug
voltooid. De beeldengroepen zijn van nog latere datum (17e en 18e eeuw).
Aan de kant van Malá Strana vormen twee naast elkaar gelegen torens de
toegang tot de brug. De kleine toren maakte in de 12e eeuw deel uit van de
houten Judithbrug. Deze brug werd naar de vrouw van Vaclav II genoemd. De
grote toren dateert uit 1464. Als U vanuit Malá Strana de Karelsbrug
betreedt, ziet U aan de rechterzijde, naast de brug een standbeeld van
de ridder Bruncvík staan.
Ridder Bruncvík,
zijn omzwervingen leidden ridder Bruncvík en zijn gezelschap naar een
naargeestig eiland waar geen levende ziel te bekennen was. Bijna de hele
groep kwam om van de honger en de dorst. Bruncvík die in het bezit was
van een heel bijzonder zwaard, wist zich echter door een list van de hulp
van de Mythologische vogel Nob (een griffioen) te verzekeren en ontkwam.
Het lot voerde hem naar een plaats waar een negenkoppige draak in gevecht
was met een dubbelstaartige leeuw. Bruncvík slaagde erin de draak
met zijn zwaard enige koppen kleiner te maken. De leeuw was de dappere
ridder zo dankbaar dat hij hem vanaf die dag als een trouwe hond volgde.Na
diverse omzwervingen bereikte Bruncvík en zijn metgezel zijn vaderland
Bohemen. Zijn vrouw had zich tijdens zijn afwezigheid uitstekend vermaakt
en had zojuist een nieuwe vrijer gevonden. Bruncvík ontstak in woede en doodde
zijn rivaal met het legendarische zwaard. Vanaf die tijd keerde de rust
terug in de streek. Het zwaard is volgens de verhalen in de sokkel, waar
het beeld van de ridder op staat verborgen. De leeuw siert sinds die tijd
het Tsjechische wapen.
Het tweede beeld aan de linkerkant stelt Sint-Vitus
voor. Midden op de brug ziet U aan de linkerzijde het beeld van de Heilige
Johannes van Nepomuk. Deze priester heeft enige tijd in de gevangenis van
Wenceslas IV doorgebracht, omdat hij de koning niet wilde vertellen wat
Wenceslas' vrouw Sophia hem tijdens de biecht had toevertrouwd. Nadat
Nepomuk op aandringen van Sophia in vrijheid gesteld was herhaalde
Wenceslas zijn vraag. Ook nu schond de priester zijn biechtgeheim niet.Wenceslas
werd daarop zo kwaad dat hij Nepomuk vanaf de Karelsbrug in de Moldau liet
werpen. Op de plaats waar hij verdronk verschenen vijf sterren die in het
water een kruis vormden. Johannes van Nepomuk wordt sinds die tijd als
beschermheilige van de bruggen beschouwd. Tegenover dit beeld staan de heiligen Ludmilla en Wenceslas. Ludmilla
was de grootmoeder van Wenceslas. Toen haar zoon koning Vradislav stierf,
was Wenceslas nog te jong om hem op te volgen. Er ontstond een
machtsstrijd tussen zijn moeder en zijn grootmoeder. Vradislavs' vrouw
verzekerde zich van de overwinning door Ludmilla met haar eigen sluier te
vermoorden. Verder op de brug (eveneens rechts) ziet U de stichter van de Jezuďetenorde,
Fransiscus Xaverius. Hij wordt door vier heidense, Aziatische vorsten op
een schild gedragen (Een Tataar, een Moor, een Chinees en een Indiër).
aan het bruggehoofd staat een gotische poort die tussen 1370 en 1400 in
opdracht van Karel IV en later zijn zoon Wenceslas door Peter Parler
gebouwd werd. De toren werd tussen 1874 en 1878 door Josef Mocker grondig
gerestaureerd. aan de kant van Staré Město is boven de poort een
beeld van Sint-Vitus te herkennen. Hij word geflankeerd door Karel IV
(links) en Wenceslas IV. Op de muur van de toren ziet U een ijsvogel, het
symbool van Wenceslas IV. Deze vogel wordt omringd door een koord met een
liefdesknoop. De beste tijd van de dag om de Karelsbrug te bezichtigen is
zeer vroeg in de ochtend, wanneer het er nog heel rustig is. Rond en in de
middag en ook 's avonds verlevendigen muzikanten het beeld van de brug.
Als U de Karelsbrug afstaptstaat U in het stadsdeel Staré Město.
|
| a |
Naar
Boven |
Staré
Město (Oude Stad)
Vanaf de Karelsbrug komt U in de wijk
Staré Město. U ziet dan aan Uw linkerhand de Kruisheren- of Sint-Franciscuskerk.
De kerk werd in 1252 door Agnes van Bohemen, de zuster van Wenceslas IV
gesticht voor de kruisheren met de rode ster. Deze kruisheren hadden als
taak de brug te beschermen en te onderhouden. Tussen 1679 en 1689 verrees
op de fundamenten van de dertiende-eeuwse kerk het huidige bouwwerk.
Leiding over de werkzaamheden had J.B. Mathey. Aan de buitenkant van de
kerk zijn onder andere beelden van Agnes en de heiligen Ludmilla,
Franciscus, Wenceslas en Vitus te zien. Voor de kerk staat een beeld van Karel
IV. Het standbeeld werd in 1848 ter ere van het 500 jarig jubileum van
de Karelsuniversiteit door E. Hähnel gemaakt. De vrouwenfiguren in de
sokkel stellen allegorieën van de eerste vier faculteiten van de
universiteit voor en niet zijn vier vrouwen zoals wel gedacht werd. Aan de oevers van de rivier de Moldau staat het voormalig waterwerkgebouw
uit 1883. Voor het gebouw ziet Bedřich Smetana (1824 - 1884) terwijl
hij aan zijn compositie "De Moldau" werkt. De componist schreef
voornamelijk nationalistische getinte muziek en opera's. In het beroemde symfonische
gedicht "Ma Vlast" (Mijn Vaderland) bejubelde hij ondermeer Vyšehrad,
de al genoemde Moldau en de zuidboheemse plaats Tábor. Het graffito op de
muren werd gemaakt naar ontwerpen van Mikoláš Aleš en František
Ženišek. Aan de overkant van de straat Křižovnická staat het Clementinum,
dat in 1556 als jezuďetencollege de plaats van een dertiende-eeuwse
dominicanenklooster innam. De jezuďeten waren in dat jaar door Ferdinand
I naar Praag gehaald. Na de slag op de Witte Berg in 1620 nam de invloed
van de orde toe. De monniken besloten daarop het Clementinum uit te
breiden. Tussen 1653 en 1660 werd een vleugel aan het complex toegevoegd.
In dezelfde eeuw stook Kilian Ignaz Dientzenhofer de Romaanse
Sint-Clementskerk in een barok jasje. In de kerk zijn beelden uit de
werkplaats van Matthias Bernhard Braun te zien (de kerkvaders Augustinus,
Gregorius, Ambrosius en Hieronymus en de vier evangelisten). Een deel van
de schilderingen werd gemaakt Peter Johann Brandl. Tegenwoordig zijn in
het Clementinum de universiteits en de staatsbibliotheek gevestigd. Er
worden regelmatig concerten gegeven in de spiegelzaal. Het Clementinum wordt aan een zijde begrensd door de Karlova, een smal
kronkelig straatje dat naar het Oudenstadsplein leidt. Onderweg passeert U
de straat Lilová Aan het einde van de straat ligt het Betlémské Náměstí.
Hier vindt U de Bethlehemkapel (Betlémská Kaple). De kapel werd
in 1391 gesticht om kerkdiensten in het Tsjechisch te houden. In 1402
begon Jan Hus in de kapel met prediken. Mensen uit alle lagen van de
bevolking waren onder de indruk van de woorden waarmee hij de
wantoestanden in de katholieke kerk aan de kaak stelde. In 1786 werd de
Bethlehemkapel afgebroken. Zij werd echter tussen 1950 en 1952 volgens
oorspronkelijke tekeningen herbouwd. De onderkoning van Napels en tevens
keizerlijke gezant in Venetië en Londen, Jan Václav
Gallas, gaf in 1713 opdracht tot de bouw van het Clam Gallaspaleis.
Dit prachtige barokke paleis, dat op de hoek van de straten Husova en
Karlova staat, werd door de Weense architect Johann Bernhard Fischer von
Erlach ontworpen. Matthias Bernhard Braun heeft zijn fantasie op de
ornamenten van het portaal losgelaten. Zo ook op de vier giganten die het
balkon ondersteunen. In een nis in de muur aan de noordzijde van de
paleistuin (aan de straatkant) staat een fontein met een vrouwenfiguur, de
allegorische voorstelling van de Moldau. In de volksmond wordt het meisje
Terezka genoemd. Het gerucht gaat dat een welgestelde inwoner van Praag zo
van het meisje gecharmeerd was, dat hij zijn hele fortuin aan het beeldje
naliet.
|
| a |
Naar
Boven |
|
Staroměstské
náměstí (Oudestadsplein)
Het
oudenstadsplein ademt
Orloj
Elk uur verzamelen zich vele toeristen onder Orloj, het astronomisch
uurwerk. Als de klok slaat gaan de blauwe luikjes open en komen de twaalf
apostelen te voorschijn. De dood luidt ondertussen de doodsklok.
Tegelijkertijd draait hij zijn zandloper om. Naast de dood staat de Turk,
ooit de aartsvijand van de Tsjecho-Slowaken en het symbool van het
heidendom. Aan de linkerkant van de cirkel zijn de ijdelheid (met spiegel)
en de hebzucht (met geldbuidel) te herkennen. De aartsengel Michaël (met
schild en zwaard) herinnert ons aan het feit dat de tijd met het laatste
oordeel zal eindigen.
Text
|
| a |
Naar
Boven |
Josefov
Text |
| a |
Naar
Boven |
Nové
Město (Nieuwe Stad)
Text |
| a |
Naar
Boven |
Vyšehrad
Text |
| a |
Naar
Boven |
Musea
Text |
| a |
Naar
Boven |
|
Allerlei
Text |